vind dit een van de beste stukken
Lijkt me echt gaaf als het een heel boek zou worden
Maar ga zo door
Kvind het echt leuk om te lezen Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek
Kvind het echt leuk om te lezen
Dat zou mij ook wel leuk lijken.
Fiffill schreef:Heb in iedergeval nog meer dan genoeg ideeën.
Ben benieuwd naar het volgende stuk
.
. Ik heb dus gevraagd of deel 2 'Wildfire' ook uitkwam in Nederland, maar dat ligt helaas niet in de planning.. 

Jammer dat deel twee niet in Nederland uitkomt alleen. Misschien ooit als er meer animo voor is. 
Ik doe mijn best maar helaas werkt school niet helemaal mee... binnenkort herfstvakantie, dan ben ik van plan om behoorlijk wat vooruit te schrijven, eindelijk tijd.

maar wou nog één dingetje opmerken. In het vijfde deel (dacht ik?) zeg je altijd "in DE brand gestoken", maar is het niet gewoon "in brand gestoken"? Het spreekt een beetje vreemd met die "de" tussen. Verder echt een goed verhaal, ik ben benieuwd naar meer 
Dan past het wel heel goed.
(of mss zelfs met 'dt', daar ben ik echt heel slecht in)

Ik snap wat je bedoelt, verbranden is misschien meer voor een persoon. En een dorp kan weer afbranden inderdaad.

Citaat:Langzaam ontwaakt Alrún uit haar droom. Het vreemde gevoel ebt zachtjes weg zoals de zee zich terugtrekt van het strand en ze opent haar ogen. Even blijft ze stil liggen maar dan zwaait ze haar benen over de bedrand heen en stapt uit bed. Ze kijkt naar beneden en ziet dat ze een wit zijden nachthemd draagt. Haar kleren zijn nergens te bekennen; Alrún kijkt de kamer door maar ze ziet niks. Dan valt haar oog op de grote kist en ze loopt er op af. De kist is zo te zien van zwaar eikenhout en beslagen met versierde ijzeren banden. Het zware slot aan de voorkant gaat tot haar verbazing met een zachte klik open en ze blikt in de kist. Ze ziet een stapeltje kleren liggen naast een vormeloze leren zak.
Alrún pakt het stapeltje kleren en vouwt ze uit. Terwijl ze de broek pakt valt er iets uit, dat kletterend op de grond valt. Ze valt op haar knieën, kruipt onder een bank om het voorwerp te pakken. Het is zwaar en koud – een dolk. Het heft is versierd met uitsneden van dieren en plantenranken, terwijl het lemmet zo glad is dat ze zichzelf er in kan zien, als een spiegel. Ze brengt de dolk naar haar gezicht en ziet hoe de vorm ervan haar weerspiegeling uitrekt tot haar ogen twee grote donkere vlekken zijn in haar lichte gezicht.
Alrún legt de dolk weg en snel trekt ze de kleren aan, die tot haar verbazing precies goed om haar lijf vallen – zijn ze speciaal voor haar uitgezocht?
Zowel de broek als het hemd zijn van een stevige dikke stof die ze niet goed kan thuisbrengen maar die zacht aanvoelt onder haar vingers. Onder de zak vindt ze een paar met bont gevoerde laarzen en als ze helemaal is aangekleed verstopt ze de dolk onder haar brede riem.
De deur zwaait open en ze draait zich snel om. In de deuropening staat Foringi naast een andere, donkerharige man. Als hij haar ziet staan glimlacht hij. “Ik zie dat je de kleren hebt gevonden. Ik wist wel dat je nieuwsgierig genoeg zou zijn om ze zelf te gaan zoeken.” Hij knikt naar de man die naast hem staat. “Alrún, dit is Sveinn. Hij zal je zo een rondleiding geven in ons kamp en ook wat vertellen over ons doel hier en wie wij zijn. Als jullie klaar zijn zal hij je naar mijn kamer brengen, want ik denk dat we nog veel te bespreken hebben, sterker nog, dat weet ik zeker.”
Hij knikt Sveinn toe, draait zich om en verdwijnt achter de deur. Alrún kijkt de donkerharige man aan, die ietwat zenuwachtig glimlacht. “Eh, jij bent dus Alrún? Nou eh, ik ben dus Sveinn… zoals Foringi net al zei… enfin, kom maar mee.” Sveinn heeft een diepe stem en zijn donkere gestalte en brede schouders doen hem groter lijken dan hij in werkelijkheid is, merkt Alrún op als ze hem beter bekijkt.
Sveinn maakt aanstalten om zich om te keren en ze stormt de drempel over, vlak langs Sveinn die verbaast blijft staan.
“Vertel me nu eens écht wat ik hier doe, wie jullie zijn. Eerder ga ik deze kamer niet uit. Ik heb genoeg van al de geheimzinnigheid.” Alrún slaat haar armen over elkaar en blikt omhoog naar Sveinn. Deze lijkt over zijn verbazing heen te zijn gekomen en schraapt zijn keel.
“In feite bén je de kamer al uit… maar goed, het was mijn opdracht om je uitleg te geven over wat wij hier doen en waarom jij hier bent. Ik zal het je onderweg vertellen.” Hij geeft een zacht duwtje in haar rug en met enige tegenzin volgt ze hem de grotachtige hal door, naar buiten. Ze kan niet anders, ze heeft geen keus. Ze bijt op haar lip en voelt een voor haar onbekende woede vanbinnen – boos is ze, boos op deze machteloze situatie. Ze voelt zich als een bal die in een spel over en weer wordt gegooid naar behoeve van de spelers. Ze moet zich maar zien te redden; het belangrijkste nu is te weten komen wie deze mensen zijn en wat ze met haar voorhebben.
De hal komt uit op de grote kloof. Alrún staat met een hoge rotswand in haar rug en eenzelfde aan de overkant, maar nu staat ze niet op de grond maar veel hoger. Voorzichtig kijkt ze over de rand en ziet beneden zich de mensen over de grond krioelen, zoals mieren in een mierenhoop. Sveinn komt naast haar staan en volgt haar blik.
“Alle mensen die je daar ziet, zijn van de Orusta. Wij zijn het verzet van Eftir – tegen het bewind van de koning en zijn verachtelijke Óvinur. Wij zijn de mensen die -”
“Zíjn Óvinur? De koning strijd toch tegen de Óvinur?” Alrún wendt haar blik af van de mensen beneden. “Ik snap het niet. Erlendur heeft mij vertelt over de Óvinur. Ik ben – ik was – op weg naar het hof van de koning, om daar les te krijgen van Blindur. Ik ben een Draumann, ik moet met de andere Draumann de Dreki oproepen om zo de Óvinur te bestrijden.” Alrún struikelt bijna over haar woorden, zo gehaast komen ze over haar lippen. “Koning Gramur verzamelt alle Draumann aan zijn hof, zodat we van dit kwaad af kunnen komen.” Ze kijkt hem fronsend aan. Sveinn werpt een blik naar boven, waar lichte wolkjes scherp afsteken tegen de blauwe lucht. Dan kijkt hij haar in de ogen.
“Luister naar mij. Ik zal je het echte verhaal vertellen, een verhaal wat al tijden in het geheim verspreid wordt maar nu steeds meer stem krijgt.” Hij schraapt zijn keel en vervolgt zijn verhaal met zijn diepe stem.
“Voordat Grama heerser werd over Eftir, stond de kroon op het hoofd van zijn vader. Deze oude koning heerste met zachte hand en in Eftir heerste vrede. Toen zijn zoon het van hem overnam, nadat de oude man was gestorven, leek dit op het eerste oog goed te gaan. Grama trad in de voetsporen van zijn vader en heerste samen met de raad over het land.
Dit ging een tijdje zo door, de oude koning lag al tijden onder de grond, toen de Óvinur in het spel kwamen. Niemand wist wie ze waren, niemand wist waar ze vandaan kwamen. Ja, uit de grotten bij het meer, maar hoe kwamen ze daar? Niemand had ooit van hun bestaan gehoord, en nu waren ze er plotseling.
Koning Grama en de raad lieten het er niet bij zitten en riepen de sterke mannen van het land op, om een leger bij elkaar te roepen dat de Óvinur kon bestrijden. Eftir heeft lange tijd een leger gehad, maar tijdens de heerschappij van de laatste koningen voor Grama is dat langzaam uit elkaar gevallen, simpelweg omdat er geen gebruik van gemaakt hoefde te worden.
Het leger werd er op uit gestuurd om de Óvinur te stoppen. Ze vochten moedig, maar het mocht niet baten. Dingen gingen mis, onze mannen stierven dankzij suffe ongelukken, fouten gemaakt door stompzinnige officiers, of omdat de vijand gewoon ijzersterk en moordzuchtig was. De Óvinur rukten op, al bleven ze nog steeds aan de voet van de bergen.” Sveinn loopt weg van de rand en Alrún volgt hem, het pad af naar beneden.
“Langzaamaan groeide bij sommigen van onze mannen in het leger het idee dat de fouten van de officiers, waardoor er ongelukken ontstonden, niet zomaar fouten waren. Mannen zoals Foringi begonnen te twijfelen aan de ongelukken en zo begon het in ons eigen leger te broeien. Het idee kwam op dat sommige vallen die gezet waren voor de Óvinur gedoemd waren om te mislukken – dat kon zelfs de allersimpelste huursoldaat inzien.
Uiteindelijk trok de koning een groot deel van het leger terug – veel had het leger immers niet in te brengen - en liet het andere deel op vaste plaatsen in kampen en forten zitten, om de grens te bewaken. Maar nog steeds dringen de Óvinur soms tot diep in het binnenland door, en moorden daar de mensen uit en branden de dorpen plat.
Ondertussen waren er een aantal mannen die dit niet langer aan konden zien. Zij richtten de Orusta op, een groep mensen die zich keerden tegen het bewind van de koning. Hun idee was om een eigen leger op te zetten, dat zich écht kon inzetten om de Óvinur te bestrijden, een leger dat niet langzaam werd uitgemoord. Want dat was het – onze mannen werden opgeofferd.” Hij haalt diep adem en vervolgt dan zijn verhaal. “Onder de Orusta groeide het idee dat de koning andere plannen met ons en met Eftir had. De Óvinur waren in beeld gekomen toen hij aan de macht was. Koning Grama wil de Óvinur niet bestrijden, hij heeft ze zelf tot leven geroepen. Hij probeert op deze manier heel Eftir in zijn macht te krijgen, alleenheerschappij zonder de raad over Eftir. Niet alleen Eftir, ook de omliggende landen en de andere wereld – die waarin jij bent opgegroeid.” Sveinn wijst naar de overkant. “Daar gaan we heen.” Ze zijn beneden in de kloof aangekomen. Alrún probeert helder te denken en al deze nieuwe informatie te verwerken, maar ze is zo onder de indruk van Sveinns verhaal dat ze in de eerste instantie geen woord kan zeggen. “Maar… maar… welke koning zou er zijn eigen volk willen vernietigen?” Ze schudt haar hoofd. “Ik kan het niet begrijpen. Zoals jij het zegt, jaagt hij zijn eigen mensen de dood in. Wat is het nut daarvan?”
Sveinn zucht. “Dat is het punt. Zoals je al zegt: zo jaagt hij zijn eigen ménsen de dood in. Je vergeet de elfen.
Er wonen naast mensen, dieren en een aantal andere wezens ook een aantal elfen in Eftir. De meeste wonen aan de overkant van het meer, maar enkele families zijn jaren geleden al gaan wonen. Dit gaat meestal goed, over het algemeen zijn de elfen en mensen elkaar goed gezind en kunnen ze in vrede naast elkaar wonen.
Het opvallende is dat de koning alleen mensen in zijn leger toelaat. De elfen die zich aanmelden komen er niet in – elfen zijn geen vechters, is de mening van Grama. Dit veroorzaakt niet alleen onrust onder de elfen die ook willen meedragen in de verdediging van hun land, maar ook tussen de mensen en elfen gaat het broeien. Sommige mensen nemen het de elfen kwalijk dat zij hun leven niet wagen in de oorlog, terwijl de elfen er natuurlijk niks aan kunnen doen; de koning verbiedt hen deel te nemen aan de strijd.
Nu komt het: koning Grama is zelf ook een elf. Trekt hij zijn eigen volk voor? Wat is zijn bedoeling? Er gaan verhalen de ronde over Grama die deze scheiding van volkeren zouden kunnen verklaren, maar niemand weet of ze kloppen of niet.
Wij van de Orusta zagen de scheve verhoudingen en konden er niet bij met ons hoofd. Nog steeds is het niet helemaal duidelijk waarom Grama zich zo tegen de mensen zou willen richten, maar wellicht heeft het iets te maken met de handlanger die hij heeft gevonden.
Het is duidelijk dat Grama dit nooit allemaal in zijn eentje op touw heeft kunnen zetten, en het dan ook nog alleen kan uitvoeren. Hij heeft jaren geleden al naar handlangers gezocht en die heeft hij gevonden: het buurland achter de bergen, Annar. Aan het hoofd van dit land staat Fjandi, een elf die tot de meer duistere soort behoort, heel anders dan de elfen die wij hier kennen. Eftir heeft nooit veel met Annar te maken gehad, aangezien de vorige koningen goede afspraken hadden om de vrede te bewaren maar in onderschepte brieven is duidelijk spraak van naderend onheil en een bondgenootschap tussen Grama en Fjandi.
Een dergelijk ‘bondgenootschap’ lijkt helemaal verkeerd uit te gaan pakken. Twee op macht beluste heersers is misschien wel het slechte wat een land kan overkomen.” Sveinn kijkt nadenkend naar de grond en schopt een steentje van het pad.
“Koning Grama laat het er natuurlijk niet bij zitten en probeert tevergeefs ons tegen te houden, maar daarvoor zal hij eerst onze schuilplaats moeten vinden.
Hier, in deze kloof waar je nu staat, ligt het hart van de Orusta. Mensen en elfen die echt willen vechten voor een vrij Eftir verzamelen zich hier.
Onze bekendheid breidt zich steeds verder uit over het land. Van alle kanten gaan er wezens naar ons op zoek om zich bij ons te voegen. Uiteraard moet alles heel voorzichtig gebeuren; één indringer van de koning hier en alles is over. Laten we hopen dat het nooit zover mag komen, en dat we uiteindelijk ten strijde kunnen trekken: tegen de Óvinur én de koning en zijn handlangers, als dat echt nodig is.”
Hij loodst haar een van de grotten in. “Let ondertussen goed op de omgeving, het is makkelijk hier te verdwalen. Dit is onze bakkerij.”
Alrún ziet een aantal vrouwen en mannen die deeg staan te kneden, en als ze langslopen steekt ze aarzelend een hand op naar de starende blikken die haar volgen. In de volgende ruimte slaat de warmte hen tegemoet en ze dekt haar gezicht af met haar armen. Grote ovens staan tegen de muren van de ruimte, hete vuren branden terwijl een man broden in de gapende zwarte muil van een der ovens omdraait.
“Maar wat ik nog niet begrijp,” zegt Alrún, “is wat ik hier mee te maken heb. Wat de Draumann er mee te maken hebben.”
Sveinn kijkt haar aan. “Wel, eigenlijk is dat heel simpel. Grama heeft jullie nodig om de Dreki op te roepen, dat weet hij. Het is zijn bedoeling om de Dreki als laatste wapen in te zetten en zo Eftir echt voor zich te winnen.”
Het duizelt Alrún. Nu ze het hoort klinkt het alsof het iets is wat ver weg gebeurt, iets waar zij niks mee te maken heeft. Maar dat heeft ze nu wel degelijk.
Waar ben ik aan begonnen? Even bekruipt haar het gevoel van eenzaamheid – ze denkt aan Amma en haar geiten.
Geiten – het schiet door haar hoofd. Erlendur. Hij wilde haar naar het hof brengen. Woede voelt ze in haar binnenste branden, maar ze verdringt het. Misschien wist hij niks van dit alles, misschien was hij gewoon een kleine pion op het grote bord.
Anders heeft hij haar goed voorgelogen; maar aan de andere kant, hoe weet ze wie ze hier moet geloven? Erlendur en zijn verhaal over Grama, of Foringi, Sveinn en de rest van de Orusta?
Sveinn vervolgt zijn rondleiding en laat haar enkele plekken zien en maakt haar wat wegwijs in het netwerk van gangen. Ze ziet mensen en een enkele keer een elf. Mannen en vrouwen, die hard aan het werk zijn met dagelijkse bezigheden of even wat uitrusten buiten in het gras. De meeste zwaaien vriendelijk naar haar en sommigen spreken Sveinn even aan.
Ondertussen maalt het in haar hoofd – honderden gedachten verdringen elkaar in een poging die eerste plaats te bemachtigen, de plaats van haar aandacht. Nieuwe vragen komen in haar op, maar ze probeert eerst alles op een rijtje te krijgen.
“Het wordt maar eens tijd om je terug te brengen naar Foringi.” Sveinn stopt en houdt even een andere man aan, fluistert wat in diens oor en vervolgt dan; “Het begint al avond te worden. Ik breng je naar de kamer van Foringi, waar je ook je avondmaal zult krijgen. Als je nog vragen hebt, kan je die aan hem stellen.”
Alrún slaakt een zucht van verlichting. Rechtstreeks vragen stellen aan de leider van de Orusta lijkt haar het beste. Hij zal er ongetwijfeld het meeste van weten.
Ze volgt Sveinn de kloof in. Ze voelt de grond onder haar voeten stijgen; ze gaan weer omhoog. Ze komen bij een zware deur en Sveinn klopt drie keer met zijn knokkels op het hout; een stem roept dat ze binnen mogen komen.
“Vaarwel, Alrún. Ik hoop dat ik je een goede rondleiding heb gegeven en dat je een beetje een idee hebt gekregen van de Orusta. Ik zal je deze dagen nog wel vaker zien.”
Sveinn keert zich om en verdwijnt in de gang. Alrún duwt de deur open en stapt de kamer binnen. Het eerste waar haar oog op valt zijn de wanden, die behangen zijn met zware kleden waarop allerlei wezens staan afgebeeld. Foringi zit in het midden van de kamer aan een schrijftafel, die nu gedekt is voor een diner.
“Ah, kleine Draumann, daar ben je weer. Je bent niet onopgemerkt gebleven onder onze mensen, hoorde ik al. Ik vertrouw erop dat Sveinn je een goede uitleg heeft gegeven over je verblijf hier. Nu is het tijd voor echt overleg, en wat uitleg over punten die voor Sveinn ook nog onbekend terrein zijn.” Hij schuift de stoel tegenover hem met zijn voeten naar achter. “Ga zitten. Nu eerst maar tijd voor een goed maal. Ik denk dat je nu wel even genoeg geluisterd hebt.”
Misschien dat jullie nog iets vinden.

Citaat:als ze helemaal is aangekleed verstopt ze de dolk onder haar brede riem
Citaat:Er wonen naast mensen, dieren en een aantal andere wezens ook een aantal elfen in Eftir. De meeste wonen aan de overkant van het meer, maar enkele families zijn jaren geleden al gaan wonen




Anders pas ik er wel nog wat even aan, misschien zet ik er wel iets van "tot ziens" neer ofzo.