‘Ik. Het. We . . .’ Probeerde ik wanhopig wat uitvluchten te verzinnen. Maar die had ik eigenlijk niet. ‘Ik had er gewoon niet aan gedacht.’ Zei ik toen zachtjes, maar met een diepe zucht.
‘En daar hadden we het ook veels te druk voor.’ Zei Jezus heel krachtig, vanachter mij. Ik voelde zijn hand op mijn schouder en kreeg het ietsjes minder benauwd. Hij had tenslotte gelijk.
‘Geen tijd voor je eigen familie of oude vrienden? Maar wel voor een nieuw vriendje, een oude vent en mensen die je niet eens kent!’ Snauwde mijn oma. Ze keek me doordringend aan en ik herkende de oude oma van vroeger weer. Overtuigd van haar gelijk en niemand, niemand wist het beter. Ze spuwde vuur.
Mien legde een hand op haar schouder. ‘Geen tijd? Maar Martje, je had toch gelijk aan ons horen te denken toen je mensen terug op aarde ging plaatsen? Wij hadden het ten slotte gevraagd, wij hebben je op dit idee gebracht.’ Zij was dan weer de liefheid zelve.
‘En jullie vallen totaal buiten onze gestelde leeftijdsgrens.’ Antwoordde Jezus in mijn plaats. Ik knikte dapper mee, opgelucht dat er een antwoord was. Hij had ook nog eens gelijk. Mijn oma en Mien waren oud gestorven, ze hadden dubbel, soms driedubbel zolang al op de aarde rond kunnen lopen en daarbij waren ze nu ook niet zo gestorven dat ze een tweede kans verdiende. Jezus voegde nog een argument toe: ‘Daarbij, er zijn honderden, duizenden misschien wel die mij dit gevraagd hebben. Dus Dames, het antwoord is nee.’ Mijn oma klapte haar mond, die halverwege zijn zin was opengegaan, weer dicht.
‘Heeft Martje daar zelf ook nog wat over te vertellen?’ Vroeg Mien, nog steeds poeslief.
Drie paar ogen keken mij nu aan. Niet rood worden, niet rood worden. Dacht ik wanhopig en ik werd niet rood. ‘Jezus heeft gelijk, jullie zijn te oud en ik kan geen mensen voortrekken. Niet iedereen kan terug op aarde. Sorry Mien, sorry Oma.’
Maar Mien was er niet klaar mee. Blijkbaar pissig dat ze haar grote droom zo snel al moest opgeven vroeg ze venijnig: ‘Maar jullie vallen zeker wel precies binnen de grens niet?’
Ik werd als nog rood. ‘Ja,’ gaf ik toe. Mien keek triomfantelijk. ‘Maar we gaan niet.’ v
‘Wat? Waarom niet?’ vroeg Mien verbaasd. ‘Je hebt voor jezelf de kans gemaakt om terug te gaan, maar je gaat niet?’
‘Nee.’ zei ik simpel. ‘Wij gaan niet, wie moeten hier anders de wereld redden?’
En daar had Mien eindelijk geen antwoord op. Ze zei niets
‘Kom laten we gaan Mien. Ik geloof niet dat mijn kleindochter ook maar iets toe gaat geven.’ zei oma verstandig.
Mien en Johanna vertrokken met een knal van de deur die keihard achter hen werd dichtgeslagen.
Petrus stond op en alsof er niets gebeurd was controleerde hij of de deur goed dicht zat. ‘Je kan wel goed zien dat ze familie van je is.’ zei hij minzaam.
‘Dat heb ik helaas vaker moeten horen.’ mompelde ik en ik hoopte dat Maria snel zou komen met het nieuwe stel.
We zwegen. Jezus en ik probeerde niet al te veel naar elkaar te kijken, want Petrus hield ons in de gaten alsof we elk moment op elkaar konden springen. Jezus sprong dan ook opgelucht van het bureau, waar hij op was gaan zitten, toen er geklopt werd.
Dit keer was het gelukkig wel Maria met een nieuw stel en de ondervraging ging weer verder. En verder. En verder. En verder.
Al snel zaten we weer in het ritme, en hoewel ik nog wel aan mijn oma dacht waren we meer bezig om mensen uit te leggen wat er ging gebeuren. Maar één stel zei nog nee op ons voorstel en die zeiden dat omdat ze beide zoveel familie terug hadden gevonden en die niet in de steek wilde laten. Een goede reden vonden Jezus en ik in een van de pauzes die we samen hadden. We praatten beide niet meer over mijn oma en Mien of over het feit dat we echt niet naar de aarde gingen, of waar dan over. Eigenlijk praatten we nauwelijks. Alleen over de stellen die langs kwamen zeiden we nog wel eens wat. Ik voelde het hele gevoel van de wereld redden en de euforie die daar bij hoorde wat instorten. We deden wat we deden, maar het was lang zo leuk niet meer. Zelfs de stellen ondervroegen we niet meer met de enthousiasme en nieuwsgierigheid van het begin. Ik voelde me zo sip en suf worden dat ik me af vroeg of ik weer wat moest slapen om mijn hoofd wat leger te krijgen. Dat idee werd van de baan geveegd toen Maria weer binnen kwam met een stelletje. Een wel heel bekend stelletje.
‘Martje?’ zei Lillian verbaasd.
‘Lill,’ zei ik en ik stond op om haar te begroeten. We omhelsden elkaar als oude vriendinnen en ik herinnerde dat ze niets wist van wat er gebeurd was tussen Hans en mij. Hand begroeten, die nu ook in Jezus kantoortje stond, ging een stuk moeizamer. We gaven elkaar een hand en zeiden hallo. Daarna ging ik bij Jezus staan.
‘Wat heb jij hiermee te maken Martje?’ vroeg Lillian nieuwsgierig.
‘Ja? We werden hierheen gestuurd omdat ons iets gevraagd zou worden. Wat doe jij hier dan?’ Hans keek een beetje bangig en dat snapte ik ook wel. De laatste keer met mij was het niet helemaal goed afgelopen.
‘Nou,’ zei Jezus, ‘jullie mogen terug naar de aarde.’ Hij zei het plechtig en keek ons ook zo aan vanuit zijn bureaustoel.
‘Wij alle drie?’ vroeg Hans verkeerde conclusies trekkend en hij keek fronsend naar mij. Alsof ik er wat aan kon doen en alsof ik dit allemaal geregeld had. Dat laatste was natuurlijk in zekere zin waar.
‘Nee, ik blijf bij Jezus hier in de hemel. We gaan samen God spelen over de aarde.’ Ik zei het vlug om het zekerder te laten klinken, maar dat lukte niet echt. Het klonk juist een beetje nep.
‘Ja ja, jij gaat dus de wereld redden?’ Vroeg Lillian.
Ik knikte en ze keek naar Jezus. Die knikte ook.
‘Waarom gaan jullie niet terug naar de aarde als dat kan?’ vroeg ze toen verbouwereerd.
Ik zuchtte en hoorde Jezus hetzelfde doen. Gek werd ik van die vraag. Gek!
‘Omdat wij hier moeten blijven. Jezus heeft de verantwoordelijkheid over de aarde en de hemel en ik blijf bij hem. Ik help hem.’
Dit accepteerde Lillian en Hans beide en toen leek het bijna alsof we tegen een normaal stel stonden te praten. We legden ze uit wat hun kansen waren en wat ze tegen konden komen op de aarde. Allebei pakten die kansen met beide handen vasten al snel was de tijd dat ze met Petrus meegingen en we afscheid namen.
‘Zien we jullie nog voor we terug gaan?’ vroeg Lillian. Ik wist het niet.
‘Ik vind het jammer dat jullie niet meekomen.’ Hoorde ik Hans tegen Jezus zeggen en het klonk nog gemeend ook. Tegen mij zei hij niets.
Toen ze de deur uit waren en Jezus en ik alleen waren zei Jezus tegen mij dat hij geloofde dat Hans nog steeds iets voor me voelde. ‘Hoe kan dat nu? Hij is verliefd op Lill, anders zouden ze niet op de lijst staan om naar de aarde te gaan.’
‘Misschien houd hij van haar, maar hij mag jou ook erg graag. Het voelde aan alsof hij hier had willen blijven voor jou. Hij zei nog tegen me dat hij het jammer vind dat je niet meegaat naar de aarde.’
‘Hij zei dat hij het jammer vond dat Wij allebei niet meegaan naar de aarde.’ corrigeerde ik Jezus. ‘En bovendien zei hij dit tegen jou.’
‘Omdat hij tegen jou niets durfde te zeggen.’ Wierp Jezus tegen.
‘O, en al zou dat. Hij vind Lillian toch het leukst en ik vind jou veel leuker. Er is toch geen probleem.’
‘Voor ons niet, voor hem wel.’ zei Jezus zachtjes.
Opeens zag ik hem weer zoals hij was. Ik had op de aarde, toen ik de bijbel nog las, een beeld gevormd van Jezus als liefdevolle man die altijd rekening hield met andere. Hij had in mijn hoofd een baard en droeg een jurk. Hij kon trucjes, hielp de armen en minderen en tja, eigenlijk was dat het wel. Ik bedacht me dat er een kern van waarheid in moest zitten. Jezus in de hemel droeg dan wel geen baard of jurk, maar hij was er wel voor de mensen. Meer dan nog voor God, maar hij viel God niet af. Ik vroeg me af of hij dat miste, mensen gelukkig maken. De hele tijd had ik, wanneer we een stel terug konden sturen op de aarde, eigenlijk alleen de vreugde van het stel gezien en niet gelet op Jezus en wat hij ervan vond. Soms pakten we elkaars hand, maar dat was voornamelijk als we wéér de vraag kregen of wij dan niet terug zouden gaan. Om elkaar te steunen. Ik nam me voor om meer op hem te letten. Maakte dit hem gelukkig?
‘Hij red het ook wel zonder mij en Lillian sleept hem er trouwens echt wel doorheen. Die is zo koppig als een ezel, dus dat gaat wel lukken hoor.’ zei ik vol zelfvertrouwen.
Er werd geklopt en ons gesprek was weer over.
‘Ze is snel dit keer.’ zei ik beduusd.
Jezus haalde zijn schouders op. ‘Er is geen tijd hier, sneller is dus eigenlijk ook maar een vaag begrip.’ zei hij raadselachtig.
Maria kwam binnen dus ik had geen tijd om te antwoorden. Ik had zelfs nauwelijks tijd om er over na te denken, want het vragen uurtje ging weer verder.
Het was een enthousiast stel, ze waren al wat ouder, maar vooral de man was dolblij met het vooruitzicht, ik keek veel naar Jezus en zag dat hij enthousiaster werd van de man. Hij glom een beetje en maakte zelfs wat grapjes met het stel. Dit had hij al eerder gedaan, maar nu weet ik het aan zijn goedheid en niet aan dat van het stel.
Ze werden de deur uitgestuurd met Petrus en ik stond op om hem te knuffelen. ‘Mis je het?’ vroeg ik.
‘Wat?’ Vroeg Jezus verbaasd en ik zag zijn ogen afdwalen van mijn gezicht naar een lagerpunt van mijn lichaam, twee lagere punten.
‘Nee, niet dat. Ik bedoel mensen gelukkig maken?’ Ik was op zijn schoot gaan zitten.
‘Dat lijkt toch op elkaar.’ vroeg Jezus wat ongeduldig en met een brutaal glimlachje.
Ik zuchtte wat geïrriteerd, dat merkte Jezus en ook hij slaakte een zucht. ‘Martje, ik maak continu mensen gelukkig. Jij hebt zelf gezegd dat ik jou gelukkig maak. Maak je nou geen zorgen over mij. Als ik jou gelukkig blijf maken, dan is het goed. Alle andere mensen die ik ook nog gelukkig maak door ze iets aan te bieden wat ik door jouw hulp kan aanbieden is helemaal een extra kers op een extra grootte ijsberg.’
Met die laatste woorden verzekerde hij mij ervan dat ik hem niet ongelukkig kon maken, want hoe kon ik ongelukkig zijn als hij er voor mij was?
Een kerstcadeautje