Ik wilde jullie even een voorproefje laten lezen hoe ik het op dit moment schrijf, ( ik had zin om Milan op te stellen wanneer hij uit de oorlog is ).. Ps. dit betekend trouwens niet dat ik Mijn boek, zijn verhaal. laat zitten hoor
Ik schrijf honderden versies tegelijk van dit verhaal :p haha.
Maar dit is dus over als Milan uit de oorlog komt.
-Anna-
Mijn handen sloten samen voor mijn hart. De slagen bonkten in mijn keel, namen al het stemgeluid weg.
Een wrange glimlach krulde even mijn lippen en stootte een geluid tussen tranen en lachen uit. Ik wist geeneens wat ik hier deed. Misschien was ik hier alleen voor de gezichten en de hoop die er vanaf straalde. De honderden hoopvolle, misschien zelfs duizenden gezichten.
Allemaal liepen we in eenzelfde richting. Begeleidt door onze bevrijders. De mannen in groene pakken en geweren over hun schouders.
Een hand vouwde zich om het mijne en trok het van mijn hart weg. Met een ruk keek ik op, bevrijdt uit mijn gedachten. Mijn ogen kruisten met de warme bruine ogen van mijn man. Hij schudde zijn hoofd. Een traan gleed over mijn wang.
Ik moest geen hoop voelen, waar geen hoop beantwoord zou worden. Ik moest terugkomen naar de werkelijkheid.
Voor het eerst kon ik de hekken met gaas zien. Hoog torende ze boven ons uit als een muur tussen ons en onze verlangens.
Ik keek door het hek naar de kinderen daar. Kleine kinderen ingedoken met ogen groot als die van een angstig dier. Je zag te veel wit. Nu kon ik ook de schreeuwen horen, de chaos.
Rino trok me tegen zich aan. Hij voelde mijn onrust.
Ik dook ineen toen ik zag hoe een jongen daar achter de hekken ruig door een van de soldaten werd weggetrokken. Ik kon niet zien of hij nog een kind was of een volwassen. Wel zag ik het resultaat van zijn daden. Hij was van een tweede jongen afgetrokken. Zijn bebloede gezicht keerde een kort moment naar mij toe voor een soldaat hem meetrok. Er had geen pijn in zijn ogen gelegen, alleen een diepe kilte.
"Hij is nu zeventien," mijn stem trilde in de fluisteringen. Hij was even oud als die jongens die ik daar net zag. Was hij hen?
"Ssst, praat niet, Anna."
Ik sloot mijn ogen en duwde de hoop weer ver weg. Rino had gelijk, ik moest niet in tegenwoordig tijd praten. Hij is niet meer. Er is geen reden om hier nog te lopen.
'Misschien moeten we teruggaan." Nog een vijftal wachtende voor ons en dan waren wij aan de beurt. Dan mochten wij de lijst bekijken. Ik werd bang. ZIjn naam zou niet op die lijst staan.
"Weet je het zeker, Anna?"
Ik zag de mensen die net vooraan hadden gestaan weglopen. Zij hadden de lijst gezien en nu zag ik de gebroken hoop over hun bleke gezichten en de tranen die er met rauwende kreten uitkwamen.
"Ja, ik weet het zeker."
Geen enkel moment haalde ik mijn ogen van die twee mensen af. Die langzaam met hun ruggen van ons wegliepen.
De oorlog had me al genoeg afgenomen. Dat kleine beetje hoop dat ik altijd zo diep verborgen hield, wilde ik niet kwijt. Zonder verder nog een woord te zeggen stapten we uit de lijn en liepen weg, zonder antwoorden.
Rino wreef geruststellend over mijn arm, maar mijn aandacht was al afgeleid naar iets anders. Een man in net pak viel op tussen de mensen als een rode kleur op zwart en wit. Zijn hand lag op de schouder van een jongen naast hem. Het zag er niet uit als een vaderlijke handgreep om de jongen gerust te stellen, meer zoals een trainer zijn hand op de nek van de hond legt, zodat hij gelijk kan ingrijpen als de hond aanvalt.
Het was de jongen die me echt opviel. Zwart haar beklede zijn hoofd en viel stijl en warrig naar beneden. Zijn gezicht was bleek, niet ongezond, meer alsof het van nature zo hoorde en een duistere zonnebril verborg zijn ogen.
"Anna?"
Ik was stil blijven staan. Staarde naar de twee mensen daar.
De man in pak sprak met een van de soldaten en ondanks al de mensen om mij heen kon ik zijn woorden nog steeds horen.
"Ik wil deze jongen aangeven."
De soldaat wierp een blik over de jongen, afkeuring was zelfs vanaf deze afstand te zien.
"We nemen geen oudere kinderen dan tien meer aan."
"Ik wilde u alleen vragen om zijn naam en gegevens te noteren."
Hun gesprek verdween naar de achtergrond, terwijl mijn aandacht op de jongen gericht bleef.
Ik kon RIno ongeduldig aan me voelen trekken, ik lette er niet op.
"Milan." Zijn naam kwam er bijna in een schreeuw uit. Ik kon de armen die mij vasthielden voelen verstijven en de hoop die ik verborgen hield zich vrij dwingen. "Milan!" Mijn plotselinge overtuiging joeg me angst aan en toch bleef ik me eraan vastklemmen als mijn laatste redmiddel.
"Anna! Hou op! Hou op." Rino greep me steviger vast, begon me mee te trekken. Ik vocht ertegen. Ik verloor van zijn kracht. Alleen mijn hoop was sterker.
"Milan!" Ik schreeuwde een laatste keer. Een laatste beetje hoop.
De jongen draaide om, volledig tot hij me recht aankeek door zijn duistere zonnebril. Mijn hart stopte een moment met kloppen en Rino liet me perplext los. De man in het pak keek al even verbaasd, maar ik lette niet op hem. Alleen op de jongen, Milan, en hoe hij wat onverstaanbaars mompelde tegen de man.