Afgelopen vakantie heb ik een schrift gekocht en in de vrije uurtjes ben ik begonnen met een verhaal. Ik heb nu enkele losse stukken die ik nog om moet smeden tot een goed lopend geheel. Het eerste stuk staat op (digitaal) papier, en ik heb genoeg inspiratie voor een heel boekwerk.
Het 'probleem' is dat ik nog geen duidelijk plot heb. Ik hoopte eigenlijk dat jullie mij misschien een beetje verder konden helpen, door tips en commentaar te geven.
Spelling en grammatica heb ik niet zo specifiek op gelet, maar als jullie een foutje zien, geef het even aan dan verbeter ik het.
Mocht het bevallen, dan plaats ik het volgende stuk.
Enjoy it!
Citaat:Ze ligt op haar rug en staart naar de strakke blauwe lucht. De takken van de appelbomen steken scherp af tegen het blauw; de witte bloesems dwarrelen om haar heen.
Ze woelt met haar vingers door het gras. De hitte maakt haar loom en de zon brand op haar huid. Haar gedachten malen langzaam door haar hoofd, kolken langzaam langs elkaar als karpers die sloom de modder doorwoelen op zoek naar voedsel. Ze voelt een lichte tinteling in haar armen en benen, die zwaar zijn van de warmte.
Bloesem daalt neer van de bomen, zachte witte vlokken sneeuw die rondtollen in de wind. Duisternis valt om haar heen, zodat de schaduwen van de bomen nauwelijks te onderscheiden zijn van de rest van de nacht.
Ze staat op en kijkt om zich heen; vage schimmen bewegen onder de bomen, geflikker van ogen die reflecteren in het licht van de maan. Haar roedelgenoten zijn overal.
Ze loopt verder, versnelt haar pas springend van rots tot rots, ze voelt het mos veren onder haar gewicht. Kiezels en takken schuren langs haar zolen, in haar neus dringt de geur van de nacht: dennennaalden van het vorige seizoen, kleine zoogdieren die liggen te slapen in hun holletjes, haar roedelgenoten, de droge nachtlucht.
Het is doodstil, afgezien van de zachte geluiden van de schaduwen om haar heen. Ze schrikt op als ze een schrille kreet hoort, die plots wordt afgekapt. Een uil vliegt op, geruisloos met een muis in zijn klauwen. Ze laat haar hoofd weer zakken en snuift diep. Ze knijpt haar ogen samen en grauwt als ze de verse geur van een hinde ruikt, en naast haar hoort ze een instemmend geluid; haar neus heeft haar niet bedrogen. Ze draait haar hoofd en kijkt recht in de ogen van Naskur. Hij knikt haar toe en draaft dan weg.
Ze loopt door, de oren gespitst om het minste geluid te kunnen horen, haar neus op de grond om het spoor van tweehoevige afdrukken te blijven volgen. Ze weet dat ze in het donker niet op haar ogen kan vertrouwen, die niet blind zijn maar minder scherp dan haar andere zintuigen.
De bomen maken plaats voor lagere struiken en als ze op een open plek komt houdt ze stil. Ze brengt haar hoofd naar de grond en werpt het dan met kracht in haar nek. Haar kreet galmt tussen de bergen, trilt diep in haar keel. Ze weet wat ze van hen vraagt, het is tijd om te jagen. Van alle kanten komt het antwoord rollend tussen de bergen dichterbij.
Om haar heen wentelen de schaduwen, voeten roffelen over de grond. De scherpe geur van angstzweet dringt in haar neus; al haar zintuigen staan op scherp, ze zijn dicht bij de prooi.
Ze rent tussen de bomen, schimmen passeren haar en ze ziet in de verte al de wanhopige zigzagbewegingen van de hinde.
Ze hoort het geluid van de hoeven op de harde bodem, en als ze dichtbij genoeg is zet ze zich af. Haar kaken sluiten zich en ze voelt een harde ruk, hoeven slaan om haar hoofd. Ze probeert houvast te vinden aan de grond, maar haar nagels schuren over het steen. Om haar heen is het een worsteling van lijven die over de grond rollen. Ze blijft vasthouden, tot ze over de kop vliegt. Meteen krabbelt ze overeind, schud zich uit. Bloed stroomt over haar kaken; ze proeft de zilte smaak in haar mond.
Voor haar op de grond ligt de hinde, de ogen naar boven gedraaid zodat het oogwit zichtbaar is in een in angst versteende blik. Damp slaat van de nog warme wonden.
Ze scheurt haar blik af van het dode lichaam en kijkt om zich heen. Ze ziet de zwoegende lijven, de ogen die glimmen van beloonde inspanning. Ze knikt haar hoofd en grijnst.
De zon schijnt nog fel, alleen aan de stand is het verstrijken van de uren te zien. De wind doet de bladeren van de appelbomen ritselen. Ze draait zich om in het gras en opent haar ogen. Ze kreunt, strekt zich uit en strijkt een lok donker haar uit haar gezicht. Langzaam en stijf komt ze overeind.
Als ze eenmaal is uitgerekt begeeft ze zich zuchtend op weg naar de rand van de boomgaard. Ze voelt aan haar armen, die wat rood en pijnlijk zijn. Ze vloekt zachtjes in zichzelf; ze had nooit zo lang in de zon moeten liggen.
Ze opent het hek van de boomgaard en stapt het grindpad op. Ze ziet niemand op de weg, de meeste mensen halen het niet in hun hoofd om op het warmste punt van de dag hun huizen uit te gaan. Thuis zal Amma al klaar zitten om haar een uitbrander te geven, dat weet ze nu al. Eigenlijk mag ze niet alleen naar de boomgaard. De meeste mensen vind het er naargeestig, ook als de bomen in volle bloei staan. De jongere kinderen dagen elkaar uit om er zo diep mogelijk in door te dringen, daar waar de braamstruiken de bomen bijna verstikken. Eerst vertellen ze elkaar verhalen over geesten en doden die nog steeds in de boomgaard zouden ronddolen, maar ze is nog nooit iemand tegen gekomen. Ze weet nog goed, ze was een jaar of tien en samen met een groepje kinderen op weg naar de boomgaard. Ze wilde hen de oude bomen laten zien, maar ze lachten haar uit en zworen dat ze er nooit naar binnen durfde. Ze waren bij de boomgaard aangekomen en ze was door het hek gegaan, de kinderen achterlatend. Sommige stoere jongens bluften dat ze haar achterna zouden komen, maar niemand kwam.
Uren had ze door de boomgaard gezworven, en toen ze weer bij het hek kwam waren de kinderen weg. Ze was zelf naar huis gelopen en al halverwege de weg op Amma en een stel mannen uit het dorp gestuit. Ze waren erop uitgetrokken om haar te zoeken; de kinderen waren na een uur wachten teruggerend naar het dorp, en hadden daar de wildste verhalen verteld. Ze zou ontvoerd zijn door een geest, of misschien nog wel erger, dood aan een tak bungelen.
Amma was woedend en sindsdien is de boomgaard verboden terrein.
Maar ze vindt het fijn in de boomgaard. De rust, de stilte. En de sfeer. Er is niks naargeestigs aan, de bomen ademen eerder een soort berusting uit. Het is waar dat er iets in de lucht hangt – maar naar is het niet.
Ze kan tijden tegen een boom geleund zitten denken, of zitten tekenen. Soms valt ze er in slaap en dan droomt ze; vreemde, wilde dromen.
Ze ziet de eerste huizen van het dorp al en als ze bij de meidoornheg komt stopt ze. Uit de dichte takken vist ze een volle mand bramen, die ze aan het begin van de middag heeft geplukt zoals Amma gevraagd had.
Met de mand onder haar arm gaat ze verder. Ze loopt langs de huisjes en zwaait naar de mensen, kinderen rennen spelend langs haar.
Als ze bij het huisje komt zet ze de bramen in het schuurtje. Gráma springt tegen haar op als ze het schuurtje uitkomt en ze kroelt haar achter haar oren. De grote hond volgt haar als ze het huisje binnengaat.
Binnen is het donker, ze doet de luiken open en het licht stroomt naar binnen. Ze kijkt om zich heen, maar er is niemand te zien. Dat is vreemd voor deze tijd van de dag. Ze gaat naar buiten en loopt om het huisje heen, maar ook achter op het land is niemand te zien. Waar zou iedereen zijn? Misschien naar de schapenboer om wol of kaas te halen, maar dat is er nog genoeg. Of misschien zijn ze de geiten drenken.
Ze maakt haar rondje af en gaat het huis weer binnen. Ze pakt vanonder de kast een bakje met houtskool en een vel papier en gaat aan tafel zitten.
Zo zit ze een tijdje in stilte te tekenen als ze plots de deur hoort kraken. Een schaduw valt over haar papier en ze kijkt op. Met grote ogen schuift ze achteruit en valt daarbij bijna van haar kruk. Ze drukt haar hand tegen haar mond om een kreet te onderdrukken.
“Sssst. Wij kennen elkaar wel.” De schaduw komt naar haar toe.
Naamsverklaring: Naskur = listig, behendig.
Amma = grootmoeder
Gráma = de grijze
Edit: stuk bijgeplaatst omdat ik anders te weinig woorden had.
Dat zal ik straks plaatsen, ben nu nog even aan het herlezen. 
