Ik keek uit het over het dak van de wereld. Wat was het hier prachtig. Alleen maar bergen, sneeuw en wolken. Geen mensen, geen dieren en geen magische wezens zoals ik. Voordat ik verder ga zal ik me eerst even voorstellen. Ik ben Areon. Een raszuivere vrouwelijke elf. Al kun je dat nu niet zo goed aan me zien. Een raszuivere elf draagt namelijk een wit gewaad met de meest ingewikkelde versieringen die je je maar kunt bedenken. Ik draag een effen rood gewaad zonder versieringen. Verder heb ik alleen een witte riem om waar mijn slinger en mijn dolk aan hangen. Ik heb me als elf zijnde eigenlijk heel abnormaal gekleed. Maar dat heeft een reden. Ik ben namelijk op reis. Op reis naar het land met antwoorden. Ik zoek antwoorden op vragen die ik in mijn leven heb verzameld en waar ik geen antwoord op kan vinden in het land der elfen. Dat is het land waar ik altijd heb gewoond. Tot een half jaar geleden dan. Dat was het begin van een impulsieve reis naar het eind van de wereld. Tenminste dat is wat ik dacht. Maar in werkelijkheid was mijn lot al bezegeld bij mijn geboorte. Ik zal het je uitleggen en ik begin vlak voor mijn geboorte.
In het midden van een enorme witte elfenstad ergens in de bergen stond een enorm bouwwerk. Het was drie keer zo hoog en minsterns twintig keer zo groot als een normaal elfenhuis. Je kon zien dat er belangrijke mensen woonde. Er stonden namelijk niet alleen twee wachters voor de grote toegangsdeuren maar ook was het hele huis van buiten versierd met goud, zilver en edelstenen in alle kleuren die je je maar kunt bedenken. En er woonden dan ook belangrijke mensen. Namelijk koning Erano met zijn vrouw Elena. Samen regeerde zij het land der elfen. Op straat waren elfen met hun dagelijkse dingen bezig. Ineens bleven de elfen op straat staan om te luisteren. Het is maar goed dat elfen zulke goede oren hebben en aan de kant gingen want op dat moment kwam er een zwart paard door de straten denderen. Voor het huis van de koning remde de ruiter zo abrupt dat de wachters geschrokken op zij sprongen. De ruiter sprong van zijn paard en liep direct langs de nog geschrokken wachters naar de deur. Hij bonsde drie maal op de deur die daarna direct open vloog. De elfen op straat keken nieuwsgierig naar de ruiter. Hij een witte kap op zijn hoofd die hij omlaag liet gelijden voordat hij door de deuren met zijn paard de binnenplaats op liep. Toen de deur was dicht gevallen gingen de verbaasde elfen op straat weer verder. Dit gold ook voor de mensen in het paleis van de koning.
Nog voor dat de deuren in het slot vielen liep de koning de binnenplaats op. Om de blijkbaar voor hem bekende gast te ontvangen. De veemdeling gaf zijn paard aan een van de bediende en schudde de koning de hand. ‘’Mijn beste professor Areman, jou heb ik net nodig’’ zei de koning opgelucht. ‘’Gegroet Koninklijke hoogheid. Ik heb groot nieuws voor u en uw vrouw.’’ ‘’Kom binnen, kom binnen. Mijn vrouw zit in de tuin aan de thee.’’ De twee elfen liepen het huis in waar ze uiteindelijk in een gezellige binnentuin uitkwamen waar een hoog zwangere elf zat. ‘’Gegroet, Koninklijke hoogheid’’ zei de elf en hij maakte een buiging. ‘’Ik kom heel belangrijk nieuws brengen.’’ ‘’Ga zitten mijn beste professor Areman’’ zei de koningin. Professor Areman ging zitten en keek nog steeds naar de beeldschone elf. Ze leek alleen maar mooier te worden naarmate de zwangerschap vorderde. Dat was juist wat hem angst aan joeg omdat het zijn vermoede alleen maar bevestigde. ‘’Professor Areman….!’’ Hij schrok op uit zijn gepeins. ‘’Ik vroeg waarvoor u gekomen was.’’ Professor Areman zuchten en zie toen tegen de koning en koningin ‘’ik ben gekomen om u te informeren over een voorspelling.’’ ‘’Een voorspelling?’’ De koning keek niet begrijpend. ‘’Ja, een voorspelling die ik heb gevonden in een van de oude geschriften in de bibliotheek. Hierin staat de voorspelling.’’ Hij haalde een stuk perkament uit zijn mantel en begon met voorlezen.
In het land der elfen,
waar het wit schittert als goud,
waar de liefde fonkelt als robijn,
word een kind geboren.
Een kin zo klein, zo teer,
Maar met een duivels lot.
Een kind dat nooit voldoening vindt.
Een kind dat altijd vragen heeft.
Een kind geboren in het jaar van de tegenslag.
Een kind geboren in het water der adel.
Maar een kind dat de weg der adelen niet zal bewandelen.
Een kind gaat de wereld redden,
maar daarin de dood zal vinden.
De koningin keek geschokt. ‘’Slaat deze voorspelling op ons kind?’’ vroeg ze met onvaste stem. ‘’Ik vrees het wel Koninklijke hoogheid. Ook al is dit pas een deel van het gedicht.’’ ‘’Wat staat er verder dan in Professor Areman?’’ vroeg de koning nors. ‘’Dat weet ik nog niet hoogheid. Ik ben bezig om de rest vanuit het oud-elfs te vertalen.’’ ‘’Ik wil weten wat er gaat gebeuren met mijn kind dus schiet op. De toon waarom de koning dit zei klonk zo dreigend dat professor Areman een beetje in elkaar kromp. ‘’Natuurlijk uwe Koninklijke hoogheid. Ik zal langskomen als ik meer weet.’’ Na deze woorden stond hij op en liet na diep gebogen te hebben terug de binnenplaats op waar zijn paard al klaar stond. Hij gaf zijn paar de sporen en galoppeerde de binnenplaats af de straat op. Maar in plaats van bij het eind van het dorp te stoppen bij de bibliotheek reed hij door. De heuvels in. Hij reed over een stoffige zandweg met links en rechts heuvelland zo ver het oog reikt. Het paar begon te zweten en toen er in de verte een dorp opdoemde vertraagde hij het paard zodat hij rustig het dorp kon binnenrijden. In het dorp liepen ook magische wezens rond maar het waren beslist geef elfen. Ze leken op mensen. Maar dat waren het beslist niet. Ze hadden namelijk tussen hun ogen een heel klein horentje zitten. Bij vrouwen was deze van goud en bij mannen van zilver. Het horentje was bij kinderen wit en veranderde pas op latere leeftijd in blijvend goud of zilver. Ook hadden ze allemaal lang, wit haar dat besprenkeld leek met kleine glittertjes zo schitterde hun lange haar in de zon. Dit volk heetten de eenhoornrijders. Het was een klein volk dat hun naam te danken had aan Ripho ‘’de eenhoornrijder’’ Helfo. Hij was namelijk de eerste en enige die ooit een eenhoorn had bereden. Zijn nakomelingen die allemaal in dit dorp leefde waren naar hem vernoemd.
Professor Areman hield zijn paard in voor de brug die naar het dorp leiden. Hij sprong van zijn paard en bond het dier aan een van de palen van de brug waarna hij de brug over ging en het dorpsplein op liep. Het was een gezellig, rond plein dat helemaal omringt werd door bakstenen huisjes. In het midden stond een beeld van de eenhoorn met de eenhoornrijder op zijn rug. Professor Areman liep naar een huis aan de overkant van het plein. Hij pakte de deurklopper die bestond uit een eenhoorn met een ruiter en bonsde drie maal op de deur. Er bewoog een schim achter de ramen maar er werd niet open gedaan.
Hij reikte met zijn hand opnieuw naar de klopper, maar voordat hij hem vast had ging de deur een klein stukje open. Een man keek schuchter om het hoekje en toen hij professor Areman zag wilde hij de deur weer dichtdoen. Maar voordat hij daar de kans voor kreeg zette professor Areman zijn voet tussen de deur, waardoor de man geschrokken een stapje op zij deed. ‘’Waarom wil je me niet zien, mij beste Horfo?’’ ‘’Ik wil je wel zien maar niet met je praten Areman’’ zei de man in de deuropening. ‘’Ik snap wel waarom je niet met mij wilt praten, maar ik heb je hulp nodig.’’ ‘’heb jij mijn hulp nodig?’’ De man keek hem ongelovig aan en deed daarna de deur verder open. Professor Areman stapte over de drempel de hal in waarna hij achter Horfo de gezellige woonkamer in liep. Het was een kleine kamer waar eigenlijk te veel spullen in een te kleine ruimte stonden. Iedereen zou wel iets hebben omgestoten maar professor Areman, die dit blijkbaar gewend was, manoeuvreerde zich tussen alles door om bij de haard in een grote fauteuil te gaan zitten. Horfo liep de kamer weer uit en kwam terug met een fles wijn en 2 glazen. Hij zette de glazen op tafel en schonk de wijn erin waarna hij ging zitten. ‘’Zo Areman je hebt mijn hulp nodig.’’ ‘’Ik vrees het wel ja.’’ ‘’En waarom zou ik jou mijn hulp aanbieden? Heb je een vergoeding?’’ ‘’Ik dacht wel dat je daar naar zou vragen en ik heb een vergoeding mee genomen.’’ ‘’Oh ka, waar is die vergoeding dan?’’ ‘’Hier.’’ Professor Areman haalde onder zijn mantel een klein buideltje vandaan. Hij maakte het open en keerde het boven de tafel om. Er ontstond op het tafeltje een stapel met gouden munten. Het lege buideltje legde hij naast de stapel munten en zei: ‘’ik denk dat het wel genoeg voor je is.’’ ‘’En of het genoeg is’’ zei Horfo met glunderende ogen. ‘’Dit is wel heel veel zeg. Is het dan zo moeilijk wat je van me wilt?’’ ‘’Niet alleen moeilijk maar ook gevaarlijk. Je moet namelijk een kind helpen.’’ Zij is uitverkoren om onze wereld te redden van de ondergang. Ze is nu nog jong maar over een jaar of 15 gaat het beginnen en moet jij haar begeleiden met een moeilijke tocht’’ ‘’Waarom zou ik dat kind moeten helpen? Het is zeker een elf. Je weet dat ik daar niets van moet.’’ ‘’Dat wee ik wel maar ik weet ook dat jij je voorvader wilt opvolgen. Je wilt de 2e zijn die op een eenhoorn kan rijden.’’ ‘’H-hoe weet je dat? Ik heb het altijd verzwegen.’’ ‘’Ik heb je bezig gezien, Horfo, in het bos en ik weet ook dat je sinds dat je kunt lopen je geobsedeerd bent van het berijden van een eenhoorn.’’ ‘’Dat klopt’’ zei Horfo niet zonder trots.
Ik ben benieuwd wat jullie er van vinden. Het is namelijk de 1e keer dat ik echt een groot verhaal schrijf en dat op bokt plaats. Het is het eerste deel dus de rest komt er nog aan. Denk dat het nog veeel langer gaat worden want heb super veel ideeën die ik nog wil uitwerken.

Liever geen onliners maar echt commentaar waar ik wat mee kan.
. 
Let wel: Leefden in plaats van leefde. ''Alle nakomelingen'' is een meervoudsvorm.
