Overigens is het zelf verzonnen en is het niet bedoeld om iemand in zijn/haar geloof te kwetsen ofzoiets.
De vrouw wees door het raam naar buiten, haar hand trilde, en met dramatische stem zei ze: ‘De wereld is vergaan.’
Mijn blik volgde de richting die haar hand aan wees. Achter het raamkozijn, tussen de ouderwetse gordijnen en boven de cactusjes was een schokkend beeld te zien: Een paar mensen zaten voor een muurtje. Ze waren iets aan het eten, een hond? Het zag er verdacht bloederig uit. Een ander groepje zat rond een vuur. Voor de rest was er een hoop puin. Geen pittoreske huisjes meer. Geen kleine straatjes, gezellige winkeltjes of plantenbakken die buiten hingen. Alleen maar brokken steen, een paar muurtjes en wat hout. Ook zag ik overal afval. Één oogopslag en ik had alles overzien.
Het greep me bij de keel, waar was alles? Waarom was ik hier in dit huis, waar zelfs het raamkozijn nog heel van was? De vrouw, door al het leed wat achter de raampjes speelde door mij vergeten, tikte me aan op mijn schouder. Ze wees weer naar buiten, naar een kind. Het zat in een hoekje bij een hoopje puin te huilen. Een paar seconden later zag ik dat er iets onder dat hoopje puin vandaan stak. ‘O god, een arm,’ mompelde ik.
Het kindje had er blijkbaar wanhopig aan gesjord, want het lag nu ver onder het puin vandaan. Voor de eigenaar was er weinig hoop, maar dat leek dat kindje niet te beseffen. Het arme ding bleef huilen en zachtjes de arm aaien.
Minuten, kwartieren, geen idee hoelang, keken we naar buiten. Het leek of de beelden vanzelf voorbij gleden. Alsof we naar een film keken. Een film door een raam. We zagen een jonge vrouw met een baby op de arm angstig naar het vuur lopen. De groep schoof een stukje op, maar een oudere man werd boos. Ze maakten ruzie. Uiteindelijk mocht ze erbij zitten, maar het was duidelijk dat dit niet zomaar kon. Ik vroeg me af wat de consequentie zou zijn voor die vrouw. Er was een tienerjongen die blijkbaar een lied inzette. Hoe het klonk, of wat hij zong, dat hoorden we niet, maar door het glas zagen we dat zijn ogen begonnen te stralen. Hij kon het nog, zingen. Een jong meisje barstte in tranen uit. De jongen keek gelaten om zich heen. Zijn mond zat weer dicht, zijn stem weer verstopt. Toen niemand het meisje ging troosten sloeg hij een arm om haar heen. Tranen rolde over mijn wangen. Wat een wanhopige situatie en waarom? Ik draaide me om naar de vrouw. Die keek mij berustend aan. ‘Erg hè? Daarom willen mensen denk zo graag hier heenkomen.’
Net toen ik haar wat wilde vragen schoot er iemand naar binnen, die bruusk het gordijn sloot. Pats boem, alle narigheid weg. Boos keek hij ons aan.
‘Hms, vrouwen.’ Mompelde hij chagrijnig en haast onhoorbaar. Zonder verder op ons te letten vertrok hij weer. De vrouw keek hem kwaad na. Verbaasd keek ik hem ook na. ‘Wie was dat?’ Rolde uiteindelijk uit mijn mond. Nu keek de vrouw voor het eerst wat triest.
‘Maar dat moet je toch weten, Johanna? Dat was Petrus.’ Ik voelde me onwetend. Wie was Petrus? Waarom noemde ze me Johanna?
‘Martje heet ik, Johanna is mijn doopnaam. En wie is Petrus?’
De vrouw zuchtte overdreven diep.
‘Hier noemen we je bij de naam die wij ooit ontvangen hebben; Johanna,’ begon ze op betweterige toon, ‘en Petrus is de bewaarder hier. Hij heeft je hier toegelaten.’
Nu snapte ik er nog minder van.
‘Waar toegelaten?’
De blik van de vrouw werd nu echt wanhopig. Ze schudde afkeurend haar hoofd. ‘Begrijp je dan niet dat je gewoon dood bent? Dit is de hemel.’
Na de onthulling van de vrouw duurde het een tijd voor ik weer normaal kon functioneren. Dat ik dood was kwam er niet echt in. Laat staan dat dit de hemel kon zijn. Nadat Petrus ons kijkje uit het raam had verstoord hadden we die dag verder rondgezworven door de ‘hemel’. De vrouw had uitgelegd dat gordijnen altijd dicht waren. Mensen hier mochten niet weten wat er op aarde gebeurde. Het was Gods speelplaats, maar de laatste tijd nam de duivel net iets te veel dingetjes over, beweerde ze. Ik zou al die ellende ook wel snel vergeten volgens haar. Op mijn vraag waarom het hier toch zo licht was antwoordde ze snuivend: ‘Dit is de hemel. Wat denk jij?’ Ik dacht eigenlijk dat ze gek moest zijn, maar lampen zag ik niet aan de knalgele muren hangen.
In sneltreinvaart liepen we over het zachte tapijt langs honderden deuren. ‘Allemaal jonkies. Die moeten zich nog melden,’ snoof ze boos. Verbaasd was ik toen ook toen er een oude man uit een van de deuren kwam.
‘Waar ben ik?’ Luidde zijn vraag.
‘In de hemel,’ zei de vrouw dan nors. Zwijgend beende ik naast haar verder. Ze somde alles op waar we voor bijkwamen: ‘Hier links is de keuken, alhoewel eten eigenlijk puur tegen het vervelen is hier. Daar achter die mooie lichtgroene deur is natuurlijk het paradijs. Was paradijselijker geweest zonder deuren, maar is zo evengoed wonderschoon. Daar is het register. Zie je de enorme rij? Die stakkers willen allemaal weten of er familieleden of vrienden in de hemel zijn. Arme stumpers, die zijn óf naar de hel óf onvindbaar in dit doolhof. Maar goed, zolang af en toe één iemand z’n pa, moe of beste vriend vindt blijft het populair. O, dit hier is de leeszaal. Ik wed dat je geen van deze boeken gelezen hebt. Allemaal hier geschreven, er zit zelfs nog een Shakespeare tussen die hij tijdens zijn leven niet af kon schrijven, arme stumper. Misschien kom je hem nog eens tegen. Heeft het nooit af kunnen leren zijn ouderwetse taalgebruik te gebruiken, maar je zult het verstaan hoor kind. Dat grapje met de toren van Babel heeft hier nooit doorgewerkt. Hij vloekt trouwens ook als een ketter, die Shakespeare, niet de toren van Babel. Petrus wilde hem niet toelaten, maar in zulke gevallen blijft God heer en meester en die vertikt het zulke beroemdheden aan Lucifer te geven. Precies om die reden zitten we ook opgescheept met Hitler. Volledig paranoïde en weigert zijn kamer uit te komen, maar hem aan Lucifer geven? Nee hoor. Doodsbang dat die duivel Hitler weer terug op aarde deponeert. Het is daar nu toch al een zooitje, met al die kernoorlogen en zo’n type kan Hij nu echt niet op de aarde gebruiken.’
‘Kernoorlogen?’ onderbrak ik haar opeens, ‘de wereld was toch vergaan?’
Maria keek meewarig opzij. Bemoei je er niet mee, leek haar blik te zeggen en ze ging verder met haar verhaal: ‘Ja, door die kernoorlogen natuurlijk. De wachtlijsten hier zijn immens ondertussen. Tegenwoordig gaan er veel meer mensen de pijp uit en die kloppen allemaal bij de hemelpoort aan. Maar afijn, waar was ik? Oja, dit hier is de spiegelzaal. Kan je jouw eeuwige jeugd bewonderen. Soms vraag ik me af waarom iedereen toch oud wil worden. Hier kan je blijven genieten van je schoonheid, je wordt nooit ouder. Jij blijft nu eeuwig mooi.
Daar achter die enorme deur zit het kerkgedeelte. Alle mensen die ooit misbruik hebben gemaakt van de kerk zitten daar. Hoor je het gezoem? Ze zingen psalmen en moeten tot in de eeuwigheid blijven zingen. Wie heeft ooit gedacht dat God vergevingsgezind was?’
Na deze filosofische vraag valt ze even stil. Een scherpe blik opzij: ‘Ik wed dat jij daar één van was.’
‘Huh?’
‘Jij dacht dat God vergevingsgezind was of anders heeft Jezus een oogje op je. Zoveel jongs laat Hij niet meer binnen.’
Dat was het toppunt. Jezus die verliefd op me was? Haar verhaal leek al van geen kanten te kloppen, zo kon ik echt niet dood zijn, maar Jezus die verliefd op me was?
Omringd door alle deuren, gangen en gesloten gordijnen barste ik in lachen uit. ‘Jezus verliefd op me?’ Ik schaterde het uit. Tranen sprongen in mijn ogen. ‘U voert de grap nu wel erg ver door mevrouw.’ Bracht ik nog nahikkend uit.
‘Maar het is geen grap, Johanna.’ Argh, weer die naam.
‘Ik heet Martje,’ zei ik brutaal.
‘Op de aarde ja, maar niet hier. Dit is de hemel en ooit is er vast gelegd dat je Johanna heette. Jij bent dus Johanna, net als ik hier Maria heet. Al werd ik op de aarde door vrienden ook Martje genoemd.’
Het leek alsof ze zich bedrogen voelde dat ik niet kon geloven dat dit de hemel was. Boos beende ze weg en als ik niet wilde verdwalen moest ik achter haar aan. Ik wilde niet verdwalen dus haastte ik me door de gangen naar haar toe.
‘Ik breng je nu naar je slaapvertrekken,’ begon ze toen ik haar had ingehaald. ‘Alles is daar. Je wordt vanzelf ontboden om bij God te komen. Die zal je vertellen hoe en wat.’
De rest van de weg liepen we zwijgend verder. Bij een deur aangekomen die sprekend op de rest van de deuren leek stopte ze.
‘Hier is het. Jouw slaapkamer.’ Als bij toverslag verscheen, in het goud gegraveerd, mijn naam op de deurklink met daar achter een hele hoop cijfers. Toen ik geen aanstalten maakte naar binnen te gaan deed de vrouw de deur voor mij open.
Voor mijn ogen verscheen een prachtig kamertje. ‘Ga nu maar naar binnen. Er komt straks nog iemand die je naar God brengt. Tot die tijd mag je de kamer niet uit. God kan je dan wel overal zien, maar de hemel is groot en zelfs Petrus weet niet waar iedereen uithangt.’
Ze gaf me een zetje en ik struikelde over de drempel naar binnen. De vrouw zond me een zeldzame glimlach.
‘Het komt vanzelf goed meid.’ Daarna draaide ze zich om. Hoofdschuddend verdween ze uit het zicht. ‘Arme stumper,’ hoorde ik haar nog mompelen.
Een tijd lang bleef ik op de drempel staan. Gedachten flitste door mijn hoofd, voornamelijk beginnend met stel dat: Stel dat dit echt is, stel dat dit een grap is. Stel dat ik ontvoert ben door een gek die de hemel na wil bouwen, stel dat ik voor eeuwig in deze kamer moet blijven. Door dat laatste keek ik rond waar ik beland was. De vloer (paarse tapijt, net als in de hallen) was schoon en zacht, aan de wanden (zachtgeel geverfd) hingen lege lijsten. De gordijnen van het raam waren vanzelfsprekend dicht. Verder stond er een boekenkast, een kledingkast, een bed, een bankje en een grote spiegel. Ik haastte me er heen om wat vertrouwds te zien. Gelukzalig keek ik naar m’n eigen spiegelbeeld. Haast ontroerd stond ik er naar te staren. Ikzelf, mezelf. Hoewel de kleding niet van mij was klopte de rest. Van mijn piekerige haar tot mijn blote tenen die zich in het tapijt krulde. Ik droeg een nauwsluitende jurk die tot net over m’n knieën viel. Hij was lelijk grijs.
Ik draaide me om en nam een kijkje in de kledingkast. Ik wilde een spijkerbroek aan of in elk geval een andere jurk. Ik wilde thuis zijn. In de kast hing niets anders dan een nachthemd. Toen ik me weer omdraaide zag ik mijn spiegelbeeld opeens huilen. ‘waar ben ik.’ Snifte ik verdrietig. Ik liep naar het bed en plofte erop neer. Ik trok mijn benen op en omhelsde mijn knieën met mijn armen. Waar in hemelsnaam kon ik zijn? Als dit echt de hemel was, waarom voelde ik me dan zo rot? Was ik dan nu een engel? Maar als dit niet de hemel was, waar was ik dan? Opgesloten in een huis met een vreemde vrouw en een oude man? Natuurlijk; de gordijnen. Die mochten niet open, omdat anders iedereen kon weten waar ik was. Om te kijken of het waar was liep ik naar mijn raam. Met een hand probeerde ik de gordijnen opzij te duwen, maar ze gaven niet mee. ‘Wel verdomme,’ siste ik boos. Wat is dit? Ik duwde tegen het gordijn en het deinde zachtjes heen en neer. Ik kon de onderkant een stukje optillen, maar meer niet.
Gefrustreerd, bang en boos liep ik terug naar mijn bed.
Ik droomde dat ik thuis was.
Als iemand beniewd is naar een uitwerking van de verhaallijn, dan zou ik die kunnen sturen per pb.
Kom maar op

ben niet christelijk maar ben wel benieuwd waar je heen gaat met dit verhaal.
heb je dat zo snel geschreven?
in Word heb ik het hele verhaal al staan, tot wordpagina dertig ofzo. Ik heb het dus alleen gecontroleerd voor ik het plaatste. Want zo snel kan ik ook niet schrijven hoor
