Voor het eerst een verhaal door mij geschreven op bokt! Ik vind schrijven erg leuk, maar ben erg benieuwd wat jullie ervan vinden. Met jullie mening en evt. tips kan ik mijn verhalen verbeteren en uitbreiden.
Het verhaal wordt verteld door de 17 jarige Kayla. Ze leeft op een kleine boerderij buiten het kleine Middeleeuwse dorp, waar een norse koning heerst die de bevolking onderdrukt. Het gerucht gaat dat de vorige koning Barius II is vermoord door zijn eigen broer, die vervolgens de macht heeft genomen. Zelf beweerd hij dat zijn broer door het lot is overleden aan een hartaanval. Onschuldige mensen worden opgepakt en in werkkampen gezet. Een kleine groep verzet zich tegen de koning en doen alles om hem van de troon af te halen.
Nou goed, hier hoofdstuk 1. Als er genoeg geïntresseerde zijn zet ik hoofdstuk 2 er ook op.
Veel leesplezier
Hoofdstuk 1
De brandende zon stond hoog aan de lucht en scheen op mijn gezicht. Mijn mond voelde droog en het zweet droop langs mijn voorhoofd. Toch ging ik stug door met wat ik aan het doen was. Het land moest voor zonsondergang geploegd zijn. Dan zouden ik en mijn twee broers het land gaan zaaien. Daarna moesten we bidden voor regen, aangezien er al een hele tijd droogde heerste. Onze put was uitgedroogd, dus moesten we met emmers naar de rivier lopen om daar water te halen voor het land. Het was een kwartier lopen. We waren dan ook de hele dag bezig.
Hijgend veegde ik het zweet van mijn gezicht. Het land was eindelijk helemaal geploegd. Ik knikte tevreden, terwijl ik naar onze kleine boerderij liep. Moeder zat in een stoel op de veranda, nog altijd met een trieste blik op haar gezicht. Eigenlijk kende ik haar zo al mijn hele leven, maar Jake, mijn oudste broer, vertelde dat dit vroeger anders was. Ze was een vrolijke en spontane moeder, zo vertelde hij. Dat veranderde toen vader was opgepakt en geëxecuteerd wegens landverraad. Wat hij precies had gedaan wist Jake niet, maar sindsdien heeft moeder nooit meer een lach op haar gezicht gehad. Later kreeg ze een bepaalde ziekte die haar spieren aantastte. Daarom zit ze nu alleen maar in die stoel. Ze kan nog wel lopen, maar daar is ze te koppig voor. Voordat ik even kon uitrusten werd ik alweer geroepen.
‘Kayla! Ga eten halen in de stad! Voordat wij hier uithongeren,’ zei moeder nors.
‘Ja moeder,’ zuchtte ik. Ik pakte mijn mand en vertrok naar de stad. In het centrum woonde de rijken en de ambachtslieden, daaromheen de middenklasse en buiten de stadsmuren woonden de armen, de boeren, wij dus. De stad bood ons geen bescherming, omdat wij minderwaardig waren, vonden zij. Ondertussen deden wij al het zware werken en betaalde de meeste belasting! En dat geld gebruikte de koning voor zijn eigen doeleinden!
Al gauw kwam ik bij de stadsmuur. Ik werd tegengehouden door de bewaker. Hij controleerde of ik geen gevaarlijke wapens bij me had. Alsof ik in me eentje de stad kon vermoorden!? Ik mocht doorlopen en in een snelle pad liep ik door de wijken naar het centrum. Daar stonden vele kraampjes waarbij de verkopers luid over de hele markt hun producten aankondigde. Als eerste liep ik naar bakker Ronaldo.
‘Kayla!’ glimlachte hij. Ik was een vaste klant. Ik glimlachte naar hem terug, terwijl hij mij twee broden overhandigde, want ik kocht namelijk altijd hetzelfde.
‘Bedankt,’ zei ik vriendelijk terwijl ik het geld overhandigde. Ik zette voort naar Ferdinand, waar ik altijd groente kocht, meestal aardappels en wortels voor in de soep, en ’s winters voor in de stamppot.
Net toen ik het geld wilde overhandigen klonk er een luide gil achter mij. Ik draaide me abrupt om, om te kijken waar het vandaan kwam. Een klein meisje van ongeveer 12 jaar werd vastgegrepen door een van de stadsridders. Ondertussen was het doodstil op de markt. Iedereen hield zijn adem in en wachtte af wat er zou gebeuren. Het kleine meisje probeerde zich los te krijgen.
‘Meekomen jij!’ klonk de boze stem van de ridder. Het meisje kreunde en smeekte huilend om vergevenis. ‘Stil jij mormel! Het is je eigen schuld!’ Het meisje schudde hevig met haar hoofd en ik kreeg het idee dat ze onschuldig was, maar de ridder geloofde haar kennelijk niet. Mijn handen baalde zich tot vuisten, terwijl de woede door mijn lijf gierde.
‘Hé ze zegt toch dat ze niks heeft gedaan!’ zei ik uit het niks. De ridder keek me even verward aan, niet verwachtend dat een tiener het voor het meisje zou opnemen. Ik stapte geschrokken achteruit toen hij dreigend naar mij toe stapte en mij even doordringend aankeek.
‘En wie heeft dan die hooiwagen in brand gestoken?’ zei hij en wees naar de afgebrande wagen. ‘Jij soms?!’ Ik voelde mijn hartslag versnellen. Ik bedoelde helemaal niet dat ik de dader was.
‘Nee, maar… ze zegt toch dat ze het niet heeft gedaan!’ probeerde ik vol te houden. Wanhopig keek ik om mij heen naar enig teken van hulp. Niemand leek mij of het meisje te willen helpen of ze waren gewoon te bang… Mijn blik viel op twee jongens en stuk verderop die grijzend naar mij wezen. Dat teken vertelde mij genoeg. Ik schrok op van de greep om mijn bovenarm.
‘Jullie gaan met mij mee!’ snauwde de ridder. Ik trok mijn arm los, terwijl mijn ogen opzoek waren naar de twee jongens, maar die leken compleet verdwenen uit het zicht. Weer voelde ik een greep om mijn arm, dit keer steviger.
‘Laat me los!’ snauwde ik. Mijn mand viel op de grond en het eten rolde weg, terwijl de ridder mij meetrok. Het conflict tussen mij en de ridder had er voor gezorgd, dat hij alle aandacht op mij had en het meisje dus was gevlucht. Ik was blij voor haar, maar daardoor had ik mijzelf diep in de nesten gewerkt…
Met mijn handen aan elkaar vastgebonden zat ik voor de ridder op zijn paard. Het zat niet erg gemakkelijk. Zijn adem in mijn nek gaf mij kippenvel. Ik had een misselijk gevoel. Ik was bang… Bang dat dit verkeerd zou aflopen en dat dit mijn laatste uren waren. Hoewel ik dacht dat hij mij naar het kasteel zou brengen, reden we de andere kant uit. We verlieten de stad en kwamen buiten de stadsmuren. In de verte zag ik onze boerderij liggen. De rook kwam uit de schoorsteen. Het vuur stond al klaar om te koken. Maar het eten zou niet komen… Ik sloeg mijn ogen even neer. Het werd al steeds donker en ik had het gevoel al ver van huis te zijn. Het paard stopte met lopen en de ridder sprong van het dier af. Vervolgens trok hij mij er ruw van af en duwde mij vooruit.
‘Hier hoor jij thuis!’ bromde hij. Ik keek gespannen om mij heen. Het leek wel een soort kamp. We liepen door een hoge en brede stenen muur. Bovenop stonden ridders met bogen en speren. Eenmaal binnen keek ik mijn ogen uit. Het was ren soort plein. De buitenkant omringt met tralies, daarachter mensen. Ik keek naar hun gezichten. Verslagen, zonder hoop. Ik kreeg een naar gevoel in mijn buik. In het midden van het plein waren ook mensen. Sommige vastgebonden aan een paal, uitgemagerd en onder het bloed. Zweepslagen waren duidelijk te zien. Andere waren druk bezig. Ze waren hout aan het hakken, maalde er speren en andere wapens van. Het waren vooral mannen en jongens, maar ook jongere kinderen.. Hun handen lagen open en van hun kleren was weinig over. Ik slikte, dit is wat mij te wachten stond!
Ik werd in een hok gegooid, bij andere meiden en vrouwen. Het touw werd van mijn pols gesneden en daarna werd de deur dichtgesmeten. Ik wreef even met mijn handen langs mijn geïrriteerde polsen. Een zucht verliet mijn mond. Ik keek naar de lucht. De sterren staarden mij aan. Het leek zo dichtbij. Alsof ik met mijn hand een ster kon vastpakken. Ik ging op de grond zitten, mijn benen opgetrokken, met mijn hoofd ertussen verscholen. Ik woelde met mijn hand door mijn donkerbruine haar. Mijn broers waren mij nu vast en zeker aan het zoeken. Ze zouden vast denken dat ik meegenomen was door een 'knightrider', mannelijke ruiters die 's avonds door de bossen rijden en vrouwen ontvoeren. De meesten komen nooit meer terug. En niemand wist ook maar iets van de knightriders af. Sommige beweren dat er ook stadsridders tussen zitten. Ik dacht aan mijn moeder. Hoewel ze vrijwel nooit emoties toonde, wist ik vrijwel zeker dat ze zich erg ongerust maakte.
Ik keek om mij heen. De kleinere kinderen sliepen al, terwijl de andere op hen lette. Ze leken zo zo onschuldig... Mijn gevoel vertelde mij dat ze dat ook waren, alhoewel ik niks van ze wist.. Ik had het idee dat er een breuk tussen het volk ontstond. Tussen de boeren en de edelen, of tewel de rijken en de armen. Ze zagen ons niet langer als hun mede mens, maar als beesten, die al hun werk deden.
De smorende zon verhitte onze kleine verblijven. De kleine kinderen werden langzamerhand wakker. Zelf was ik al een paar uur op. Slapen kon ik niet. Ik had het kamp een tijdje geobserveerd. Zo kwam er een nieuwe lading hout binnen en waren de wachters druk bezig om alles in orde te maken. Ook kwam er vanochtend een nieuwe jongen binnen. Ik schatte hem iets ouder dan mij. Hij verzette zich hevig tegenover de ridders. Hij werd dan ook gelijk aan een paal vastgebonden. Met een lange zweep werd er op zijn rug geslagen. Er klonken luide klappen, bij iedere klap sloot ik mijn ogen. Maar de jongen gaf geen kick. Nog altijd keek hij de bewakers vuil aan. Op een of andere manier bewonderde ik hem wel. Hij had iets strijdlustigs. Ik schrok op uit mijn gedachten toen een bewaker iets riep.
''Hé jij daar!'' Ik keek naar hem. Hij wees naar mij... ''Meekomen!'' bromde hij.