Ik ben best serieus met schrijven bezig en ik droom ervan om ooit schrijfster te worden, dus alle kritiek is echt heel erg welkom!
Hier zijn de proloog en het korte eerste hoofdstuk. Ik hoop dat je het blijft volgen.
Verder zeg ik niets, een verhaal hoort zichzelf te wijzen.---
Proloog
Ik was zestien op het moment dat ik haar vond en achttien op het moment dat ik haar kwijtraakte. We hebben elkaar al maanden niet meer gesproken of gezien.
Maar ik denk dat daar spoedig verandering in gaat komen. Op dit moment is de trein twee stations van me verwijderd. Het enige wat ik hoef te doen is wachten. De jongen naast me, een jaar of twaalf oud, speelt met zijn iPhone, een nieuw model dat ik nooit zou kunnen betalen. Ik vraag me af waar hij heengaat.
Een trein komt binnen op het andere spoor. Het verbaast me hoe hard hij gaat. Hard genoeg, besef ik. Het is zo makkelijk om naar de rand van het perron te rennen, naar het spoor, en me dan te laten vallen. Ik zou binnen enkele seconden dood zijn.
Er was eens een muis die bevriend raakte met een rat…
Het verhaal dat precies een week geleden mijn leven binnengleed, door de brievenbus, in een rode envelop. Haar naam, in het zwart, geschreven in een handschrift vol krullen, die me na de eindzin grijnzend aankeek.
Waarom springen mensen voor de trein?
Omdat ze een reis willen maken.
Omdat ze een verhaal op de deurmat vinden.
Omdat ze beseffen dat ze het leven niet waard zijn.
Of, zoals ik mijn geval, omdat ze naast de bovenstaande punten ook nog eens laf zijn. Want ja, dat ben ik. Als ik dapper zou zijn, zou ik op een spoorwegovergang staan, waar de trein zo’n honderd twintig kilometer per uur rijdt. Wie daaronder komt, is dood. Spat uit elkaar tegen de voorruit. Bezorgt de machinist en de conducteur – want ja, iemand moet kijken waar dat lange voertuig overheen gedenderd is – een trauma.
Ik spat liever niet uit elkaar. Iemand een trauma bezorgen is helaas onvermijdelijk, maar ik zie er vast beter uit wanneer de trein langzaam over me heen heeft gereden.
Ik kan nog omdraaien. Weglopen. Teruggaan naar school, zeggen dat ik naar de tandarts ben geweest en ter illustratie mijn kapotte lip laten zien.
Waarom loop ik niet weg? Waarom ga ik niet naar de mensen die van me houden?
Er is niemand die het weet. Niemand die het verhaal heeft gelezen, niemand die het krullerige handschrift heeft gezien. Niemand die me beschouwt als een rat.
Mijn voeten weigeren in beweging te komen. Ik ben met een doel naar het station gegaan. Terugkeren naar school, of zelfs naar huis, is geen optie. Dat zou betekenen dat ik moet leven met dat verhaal, met de rat die me in de spiegel aankijkt.
Dat kan ik niet.
De trein heeft geen vertraging. Volgens de stationsklok heb ik nog twee minuten tot hij komt.
De jongen naast me lacht. Zijn wijsvinger tikt tegen het scherm van de iPhone. Ik slik en opeens komen mijn voeten in beweging.
Voor ik het weet, heb ik me half omgedraaid, zodat ik hem recht kan aankijken. ‘Ga naar beneden,’ zeg ik.
Hij kijkt op, vragend.
‘In de winkel naast de parkeerplaatsen heb je gratis internet,’ probeer ik, in de hoop dat de boodschap beter overkomt.
Nog anderhalve minuut.
De jongen blijft staan. Zijn blik is half gefascineerd, half onbegrijpend.
‘Luister.’ Ik pak zijn schouders. Dit is de laatste persoon die ik aanraak, het laatste leven dat ik ergens voor kan behoeden. ‘Als je vannacht rustig wilt slapen, kun je beter naar beneden gaan. Ik meen het.’
‘Wat is er dan?’ Hij heeft nog geen baard in de keel. Over twee jaar zal hij dieper klinken en minstens tien centimeter langer zijn. Misschien herinnert hij zich mijn gezicht nog bij het horen van een passerende trein.
‘Dat zul je wel merken. Ga naar beneden, alsjeblieft.’ Mijn stem heeft iets smekends, iets waarvan ik walg, maar eindelijk lijkt de jongen me te begrijpen. Hij haast zich naar de trap.
Nog een minuut.
In de verte kan ik de trein al horen aankomen. Ik loop naar voren, zoals zoveel reizigers doen, en sluit mijn ogen.
Hoofdstuk 1
Twee jaar eerder
Het is mijn droom om journaliste te worden. Ik wil de wereld rondreizen, kinderen uit Afrika interviewen, contact leggen met beroemdheden en aanwezig zijn bij internationale processen. Ik wil dat de wereld mijn naam kent, dat elke kwaliteitskrant me een column aanbiedt en dat ik minstens een keer per week aanwezig ben in een populaire talkshow om mijn visie op het nieuws te geven.
Er is alleen een probleempje: momenteel sta ik een vier komma zes – ik zeg liever een vijf – voor Nederlands.
En een vijf komma twee voor Engels, dus mijn studie in het buitenland volgen is geen optie.
Maar goed, dat geeft allemaal niet. Voor mijn eindexamen, over twee jaar, haal ik een negen en dan komt alles goed. Desnoods vraag ik Maura om bijles, hoewel dat mijn eer eigenlijk te na is. Dat kreng, nee oké, ze is geen kreng, hoort pas een halfjaar bij mijn vriendengroep.
Ze zit in de klas bij Tiffany, mijn beste vriendin, en Tiff en zij zijn natuurlijk niet uit elkaar te sláán. Dat is al behoorlijk irritant en dan komt er ook nog bij dat zij een negen komma twee voor Nederlands staat.
En een acht komma vijf voor Engels.
Én dat ze ook journalistiek wil studeren.
Én dat zij waarschijnlijk degene zal worden die de wereld rondreist, kinderen uit Afrika interviewt, et cetera.
Zo kan ik nog wel even doorgaan. In elk geval is het irritant, vooral omdat ze telkens aanbiedt om iedereen te helpen. Ze wil helemaal niemand helpen, ze wil gewoon laten zien hoe goed zij is en hoe dom wij zijn. Mensen zoals Tiff trappen erin. Mensen zoals ik niet.
Eigenlijk zou ik een dagboek moeten hebben om deze emoties te uiten, maar dan word ik bij elke herlezing geconfronteerd met mijn spelling en grammatica. Ik denk dat ik toch vrolijker word van de ergernis dan van het zien van mijn eigen fouten.
Met deze gedachten sta ik onder de douche. Heimelijk bekijk ik mezelf in de spiegel die ik door het beslagen glas net kan zien. Ik ben knapper dan Maura, dat is iets wat zeker is.
Mijn haar is langer dan het hare en diepblond. Mijn ogen zijn bruin met een grijs streepje erdoor. Ik ben iets slanker en mijn huid is gebruinder. Mijn lippen zijn voller.
Als ik geen journaliste word, kan ik altijd nog een voetballer trouwen, neem ik me voor. Die heeft genoeg geld om me in te kopen op de opleiding. Als de opleiding niet mee wil werken, betaalt hij gewoon een krant om mij columns te laten schrijven. Iemand verbetert mijn teksten voor ze worden gepubliceerd. Binnen een maand liggen de kranten, bladen en televisiezenders aan mijn voeten.
Nog in de ban van die fantasie stap ik uit de douche droog ik me af. Er is niemand thuis, dus loop ik op mijn gemak naar mijn kamer, waar ik me in een broek van Gucci wring. Ik heb hem nog niet eerder aangehad – daar was geen gelegenheid voor – en ik ben benieuwd naar de reacties op school. Vooral naar de reactie van –
Nee. Daar mag ik niet aan denken. Hij is veel te slim voor mij. Alle andere meisjes die hem leuk vonden heeft hij harteloos afgewezen.
Behalve Maura.
Op dat moment gaat de bel. Ik vloek, doe haastig tandpasta op een tandenborstel en steek het geval in mijn mond. Haastig loop ik naar beneden. Het marmer van de trap voelt koud tegen mijn voeten en de broek, die ik twee jaar geleden van mijn vader heb gekregen, zit eigenlijk te strak. Misschien moet ik afvallen.
Ik haal de voordeur van het slot en doe hem open. En gooi hem bijna weer in het slot als ik zie wie ervoor staat. ‘Maura? Wat doe jij hier?’
‘Jij had ook de eerste twee uur vrij, toch?’ Ze glimlacht. Haar rode haren zitten in een warrige knot, ze draagt geen make-up en er zit een gat in haar spijkerbroek. Het shirtje dat ze aanheeft is wel erg leuk – alleen jammer dat er nog zo’n tweehonderd meisjes op school mee lopen.
‘Dat eh, klopt.’
‘Zal ik met je meefietsen?’ Eigenlijk vraagt ze het niet. Ze stelt het.
Keihard ‘nee’ zeggen is geen optie, dan krijg ik straks Tiff en de hele kliek over me heen omdat ik zo onaardig heb gedaan tegen die fantastische Maura. ‘Nou, eh,’ zeg ik om tijd te rekken, tandpastaspetters in haar gezicht sproeiend, ‘het duurt nog even voor ik klaar ben en eh, ik eh, ik wil niet dat jij te laat komt. Door mij.’
‘We komen niet te laat,’ zegt Maura rustig.
Verdorie.
‘Ga jij maar terug naar boven, dan ga ik wel theedrinken met je moeder of zo. Mijn vader was vroeger ook altijd te vroeg bij zijn fietsmaatje en de moeder daarvan dronk altijd thee met hem terwijl hij wachtte.’
Goh, wat fantastisch. ‘Mijn moeder werkt,’ snauw ik.
‘O oké, ik zet zelf wel thee.’ Opgewekt wringt Maura zich langs me heen. ‘O, wat een mooie foto hangt daar aan de muur zeg!’
Ik rol met mijn ogen. Waar haalt dat kind de brutaliteit vandaan? ‘Prachtig.’ Na dat woord stamp ik naar boven.
Maura trekt de voordeur dicht.
En opeens voel ik een vleugje bewondering. Zij is de enige die zomaar mijn villa binnen is gelopen zonder me te vragen hoeveel mijn ouders ervoor hebben betaald. Zij is de enige die zich hier volledig thuis lijkt te voelen.
Zij is de enige in de groep die iets durft wat ik niet durf.
Zolang het niet over onze toekomst gaat, kan ik Maura stiekem best aardig vinden.


.