Voor de mensen die al eerder een verhaal van mij gelezen hebben, dit is wat heel anders. Ookal is de schrijfstijl aardig hetzelfde.
De eerste entree is een soort van geschiedenis zodat jullie het verhaal beter kunnen begrijpen. Pas bij de tweede entree begint het verhaal echt.
Oorlog is waar mensen verslaafd zijn aan macht.
Ik ben Martin Dekker, geboren en getogen in Nederland. Het land waar ik trots op ben dat ik het me mijn thuishaven mag noemen.
Mijn doel in het leven? Mensen helpen. Ja, ik wil sterven met de gedachten dat ik iets heb betekend. Dat een ander mijn naam kent en zegt; Dat was Martin hij redde mijn leven. Dat is dan ook de reden dat ik aan de medische universiteit in Utrecht afstudeerde. Ondertussen ben ik volleerd chirurg. En heb ik er iets bij geleerd wat niet in de medische boeken stond die ik voor mijn opleiding bekeek. Het redden van mensen, betekend offers brengen. Ik heb mijn familie al drie jaar niet gezien. Ik heb namelijk over de jaren, nadat het ziekenhuis zijn uitdaging begon te verliezen, mijn doel hoger gelegd. Ik wou mensen redden, die helden zijn. Ik ging het leger in als veldchirurg. Eindelijk ging ik de oorlog zien die al ruim dertig jaar voort raast. De oorlog die begon op dertig september 2056, op een rustige herfstdag toen de president van de VS begraven werd. Toen de VS nog de VS heette.
VS. Washington, 30-09-2056
Begrafenis van oud president, Derck Steel
"Generaal," een oude krachtige man keerde zijn hoofd naar één van zijn veel jongere mannen.
"Wat is er?"
" De minister van Defensie, Taylor Wilson is in de bunker geplaatst, sir."
General Johnson knikte tevreden. Op de begrafenis hadden ze de meest noodzakelijke maatregelen genomen, met zoveel belangrijke mensen op een plaats zou het niet moeilijk zijn om de regering om ver te werpen.
"Goed. Naar je plaats," de rest zou aan de FBI over gelaten worden.
Zo begon de dag, met duizenden wachten verspreidt in de stad Washington. En miljoenen al niet biljoenen mensen die in de stad bijeen waren gekomen om een laatste eer te betonen aan hun drie-jarige overleden president. De arme man was in het midden van de nacht overleden, geen enkele oorzaak was er tot de dag van vandaag gevonden. Een hartaanval dat hadden de doctoren vast gesteld. Maar niemand, en dan ook echt niemand binnen en buiten de staten geloofde dat; de president was vermoord.. hoe? Niemand zou het ooit te weten komen. De dader? gokken was het enige wat ze konden. En waarom? Nog één uur... en dan zou de hele wereld het weten.
De enorme mensenmassa die op het plein voor het witte huis stond te wachten, hadden hun ogen naar voren gericht. De vice-president stond daar al klaar om te spreken. Een lied, het volkslied klonk op en de vlag werd gehesen. Een eerbiedige stilte, een prachtige zang. Sommige lieten zelfs tranen vallen. Dit land hield van hun oude president. Zodra het lied voorbij was en er een stilte was die onmogelijk leek voor zo'n enorme mensenmassa, begon de vice-president te spreken. Een laatste eerbetoon aan president Derck Steel. Uiteindelijk werd de koffer, met de vlag erover heen, opgetild. Hij zou door de straten worden geleid tot ze de grafplaats bereikten.
Één explosie.
Een seconde die een uur leek te duren.
En de koffer was weg. De mensen in een straal van twintig meter eromheen, weg. Paniek dat was het enige wat overbleef. Het witte huis was gevallen en mensen begonnen te schreeuwen en te rennen. Ze vertrapten elkaar maar namen niet de tijd om het door te krijgen. Meer explosies klonken op, midden tussen de mensenmassa's. Onschuldigen werden van de bodem weggevaagd.
Het was de zwartste dag in de geschiedenis van Amerika; erger dan Pearl Harbor, erger dan 11 september.
De hele Amerikaanse regering viel en er bleef maar één man over om te leiden.
Taylor Wilson, de minister die veilig in een bunker was weggestopt.
De man waarmee de grootste nachtmerrie van de wereld begon.
Ik kan me die dag nog goed herinneren. Ik was zestien jaar oud en was opdat moment niet bepaald geïnterreseerd geweest om naar de begravenis van een Amerikaanse president te kijken. Nee, ik had met mijn vrienden in een kroegje gezeten. De babbel genaamd, het lag in het dorpje naast ons dorp. We noemden het altijd, de verkeerde kant van het spoor, maar ondanks dat kon je er heerlijk zitten op het terrasje. Zodra ik thuis was gekomen hadden mijn ouders aan het beeld van de tv gekluisterd gezeten. Hun ogen en mond waren open in schok. Ik staarde met hen mee, naar de explosie die keer op keer weer werd herhaald, om vervolgens te worden vervangen door een serieus uitziende juffrouw met rood haar die doemsdag aan het voorspellen was.
"Wat is er gebeurd," had ik toen nog nonchalant gemompel. Weer een aanslag waarschijnlijk, ookal was het vreemd dat deze werd uitgezonden. Meestal werden ze achter gehouden door de media. Pas nadat ik het beeld waarschijnlijk tien keer langs me heen had zien vliegen herkende ik het als het witte huis. Ik zakte op de bank neer, nam precies dezelfde positie aan als mijn ouders en mijn gedachten kenden nog maar een weg. Dit ging fout, dit werd oorlog. Vanaf dat moment wist ik dat dit een grotere oorlog zou worden dan ik tot nu toe kende. Misschien zelfs groter dan de tweede wereld oorlog. De maanden die daarop volgden waren gespannen. Iedereen verwachten dat er iets zou gebeuren, maar er gebeurde niets. Maanden werden een jaar en Amerika bouwde zich langzaam op. drie jaar ging voorbij, Amerika was de wereldmacht weer die we kenden, met Taylor Wilson aan de top. Er was geen president meer en er waren geen staten meer. Amerika had zich verenigd tot één. Nog een jaar, ik was inmiddels student aan de Universiteit van de HU en genoot van mijn leven. Één groot feest. En toen op 30 september, alsof het een grote grap was, In Rusland gebeurde het. De atoombom, een bom die al jaren geleden ontmanteld had moeten zijn. Het meest vreselijke wapen ooit, viel. SIberië werd geraakt, maar nog drie van deze vreselijke monsters stortten zich op de meest oost gelegen landen. Binnen een straal van twee kilometer was alles weggevaagd, en het omliggende land werd onleefbaar wegens de gifgassen.
De oorlog waar iedereen op wachtte was begonnen en Rusland was in een oogwenk gevallen.
Met het leven wat wordt genomen, wordt een tweede verwoest.
Jullie weten nu waar de oorlog begonnen is en waarschijnlijk weten jullie ook hoe vreselijk oorlog is. Nieuwsberichten, kranten ze vertellen het allemaal. Maar het met eigen ogen zien is iets heel anders. Iedere gruwelijke gedachten die je over oorlog hebt gekregen kun je vergeten, want het is allemaal nog zoveel gruwelijker dan je je kan voorstellen. Ik ontmoette vandaag een klein jochie. Mario, dat was zijn naam. Zijn kleren waren vuil en gescheurd, zijn armen waren niets meer dan dunne botten en om hem heen huisden vliegen zich van zijn kapotte huid. De soldaten stuurden hem weg. Ze wouden niets met hem te maken hebben. Hij was een zwerver, een wees. Een kind dat ziektes met zich meebracht. Mijn hart stopte toen ik in zijn diepbruine ogen keek. Hij was zo bang. Ik ben naar hem toegelopen met een broodje en een baantje. Sindsdien is hij mijn trouwe assistente die de boel schoon houdt en spullen uit het dorp voor me haalt. Maar dit was maar één van de wezen, er zijn er nog honderden zo niet duizenden meer. Ze lopen over de straten omdat ze nergens anders heen kunnen. Ze voeden zich als ratten uit vuilnisbakken en dragen dezelfde ziektes mee. En dan noemen wij ons de goede, soms vraag ik me af of het niet beter is als Amerika gewoon zou winnen. Misschien dat dan al deze armoede stopt. Dat dan de wezen weer een veilig thuis krijgen.
Amerika, Corpus Christie - 08-07-207 - 17:00 pm
Aanval van de Fransen,
Haar naam was Anna. Vernoemd naar haar grootmoeder. Een naam die altijd met een stralende glimlach gedragen was, maar nu was er alleen nog angst achter te vinden. De vrouw haar glanzend bruine haren waren door het stof van de stad bedekt. Haar rusteloze hazelkleurige ogen schoten langs de gebouwen. Is het over? Zijn de soldaten weg? Zijn de bommen gestopt met vallen? Ze wist het niet. Ze wist niet wat ze anders kon doen dan in elkaar kruipen tot een angstige bal. Verstopt achter kapotte muren van de ooit zo prachtige huizen. Alles was weg, Corpus Christie was binnen twee uur vernietigd. Anna liet haar lichaam in elkaar zakken, geluidloze tranen stroomden over haar wangen. Ze snikte niet, ze liet de emotie gewoon wegglijden. Waarom had ze gedacht dat Amerika onaangetast zou blijven in deze oorlog. Dat ze oppermachtig waren. Zie nou waar het haar bracht, gebroken en in tranen in haar eigen stad. De stad waarvan ze hield die langzaam door vlammen verzwolgen werd. Ze wond haar armen strak om het kleine bundeltje wat tegen haar lichaam gedrukt lag. Haar alles, haar kindje. Snikkende geluidjes klonken op.
"Sst, stil maar," Anna moest al haar energie in die woorden leggen. Haar stem mocht niet trillen. Haar kindje mocht niet van haar angst weten. Hij was te jong, te jong om al dit geweld al te zien en te voelen. Anna haar vingers streken door de zwarte bos haar van het kindje. Het was het enige wat echt zichtbaar van hem was. Zijn gezicht was in haar kleren verborgen, met zijn vuistjes stevig om de stof gebonden.
Anna verstijfde toen schoten opklonken. Was het nog niet voorbij? Ze duwde haar zoon dichter tegen zich aan en drukte zich tegen de al kapotte muur. Haar ogen waren strak dicht geknepen. Ga weg, laat ze ons niet zien. Het was haar schietgebed. Hitte van de vlammen streek langs haar gezicht. Het vuur kwam dichterbij. Ze konden zich niet lang meer hier verschuilen.
"Tik, tik," Anna haar ogen vlogen open. "Tik, tik," Het klakkende geluid van laarzen. Een schim, zwart tegen de rode vlammen. Een schim, van een man. Koud angstzweet gleed over haar rug. Dit was het einde.
"Ast..Astublieft.. sp..spaar h.hem," tranen stroomden onbeheersbaar over haar gezicht. De controle over haar stem was ze allang verloren. Haar trillende armen bleven haar kindje vastklemmen. Ze kon hem niet verliezen. De schim stapte onverschrokken dichterbij. Anna greep naar haar laatste middel, een nutteloos middel. Ze opende haar mond, zoog de lucht naar binnen om te gillen. Een hand voorkwam de klanken. De schim voor haar had zich razendsnel naar haar zijde begeven. En nu overlapte zijn enorme hand haar lippen.
"Sst Anna, ik ben het," Die stem. Ze kende die stem. Haar grote bloeddoorlopen ogen staarden omhoog. Tranen ontsprongen opnieuw. Haar ridder, haar engel, haar man. Hij zat daar naast haar.
"R..Rino?" Ze kon het niet geloven. Voor het eerst voelde ze zich veilig, want hij was hier. Zijn zwarte krulletjes waren verward tegen zijn voorhoofd geplakt en zijn kleren waren bevuild en gescheurd. Dat maakte allemaal niet uit. Zijn zachte bruine ogen zeiden alles. Ze waren gered.
"Is hij gewond?" De man, Rino, streelde met zijn enorme hand over het hoofd van het kleine jongetje.
Anna schudde gelijk haar hoofd.
"Nee, maar zijn bril is ergens kapot gevallen," eindelijk leek haar stem iets van de oude kracht terug te krijgen. Rino trok zijn wenkbrauwen op voor hij in zijn jaszak begon te graaien. Uiteindelijk verscheen een zwarte etui. Met een klik ging het doosje open om een nieuwe zonnebril te laten zien. Anna glimlachte ondanks haar zorgen. Ze haalde de bril uit het doosje en drukte het voorzichtig op het hoofd van haar kind. Het bleef zich tegen zijn moeder aandrukken ookal leek hij zich nu niet meer volledig te verbergen.
"Kom we moeten verder. De helikopter zal binnen een kwartier vertrekken," Rino zijn vingers vlochten zich met die van Anna. Voorzichtig trok hij haar overeind. Ze renden samen, langs de gebouwen, door de puinhopen. Anna probeerde niet te kijken. Ze wou zich haar stad niet zo herinneren. Ze wou de prachtige gebouwen herinneren en de lachende mensen. Niet dit. Onder haar voet spatte vloeistof op. Een regenplas, een regenplas. Zo sprak ze iedere logische gedachte tegen, want ze wist maar al te goed dat het al een maand niet had geregend. Rino voor haar stopte abrupt met rennen. Ze wist zelf nog net op tijd tot een halt te komen zonder vol tegen zijn rug te lopen.
"Rino, wat doe je," kwam een lage sis vanuit het diepste van haar keel. Ze moesten rennen, de helikopters zien te bereiken. Ze konden niet stilstaan en rondkijken!
"Rin.." Haar adem stokte, eindelijk zag ze wat haar man tot een halt had gebracht. Voor haar verscheen een horror-scène. Één die nooit meer van haar netvlies zou verdwijnen. Het plein, het prachtige stadsplein was bedekt met lijken. Bloed, diep rood, beschilderde de straten, de muren, alles. Onschuldige mensen lagen met opengesperde ogen en wijde monden op de grond. Ledematen zaten niet meer aan de bijbehorende lichamen vast. Maar de kleine lijkjes die er lagen waren nog het meest afschuwkwekkende. De lijken van kinderen. Misvormd door de kracht van explosies of doorboord door kogels. Anna zette haar kind neer, voor hij uit haar handen zou vallen. Haar maag draaide. Ze wou alles eruit spugen, maar haar shock verlamde haar. Ze kon geen enkele beweging maken. Een kinderschreeuw wekte haar op. Ze trok haar ogen van het beeld weg. Richtten ze alleen nog op haar zoontje naast haar die tranen over zijn wangen liet stromen.
"We..we moeten verder," zelfs Rino, die altijd krachtig stond, leek te bezwijken.
Zijn greep op zijn vrouw werd krachtiger, terwijl ze heel voorzichtig verder liepen. De explosie die volgde had geen van beide verwacht. Misschien was hun aandacht voor de scène te groot geweest. Met een klap werden ze door de lucht gesmeten. Hun handen werden losgerukt. Anna lag buiten zinnen op de grond. Ze voelde geen pijn meer en even wist ze zeker dat ze dood was. Armen trokken haar omhoog, sleepten haar mee. Vaag kon ze haar voeten voelen bewegen, bijna instinctief. Haar hand greep naar iets wat niet meer daar was. Haar zoon, waar was haar zoon. Haar mistige ogen keken op naar Rino die haar voort trok.
"Waar is hij?" Zwakjes fluisterde ze naar hem. Haar woorden vielen in dovemans oren. Rino bleef alleen maar doorrennen. Hun tijd was bijna op. Paniek kreeg eindelijk macht over haar lichaam. Waar was haar zoon?! Ze probeerde zich los te wurmen, maar het enige wat dat uithaalde was dat Rino zijn greep krachtiger werd. Ze wou zich laten vallen. Zonder enig probleem tilde hij haar mee. Onverstaanbaar schreeuwde ze. Ze wist zelf geeneens de woorden meer die ze wou zeggen. Het enige wat ze wou was haar kind. Het geluid van wieken klonk dichterbij. Rino zag de helikopters al staan. Gestresste soldaten duwden mensen die hadden weten te vluchten de voertuigen in. Rino rendde blind naar de eerste en beste die in zijn pad verscheen. Zijn hersenen waren gestopt met werken bij die explosie. Een oerinstinct had zijn lichaam overgenomen. Overleven, dat moest hij. Één van de soldaten hielp hem ruig in de helikopter. Nog steeds kon Rino zijn vrouw hevig voelen tegenstribbelen. Haar hysterische schreeuwen probeerde hij uit te bannen. Zijn grip bleef muurvast om haar lichaam. De helikopters stegen van de grond. Met een zucht liet Rino zijn spieren ontspannen. Eindelijk kon hij de paniek schreeuwen van zijn vrouw verwoorden.
"Hij is niet hier! Laat me los! Mijn kind.. M..Mijn k..kindje," De schreeuwen stiervenweg totdat niets meer dan gebroken tranen over waren. Rino zijn ogen verwijden zich. Wat? Zijn zoon, was zijn zoon nog daar beneden? Bevend tuurde hij omlaag, naar de grond die steeds verder van hem wegraakte.
Nee, nee. Een traan gleed over zijn wang. Dit kon niet gebeuren. De traan verliet de huid en stortte zich de diepte in. Milan... Met een onzichtbare klap verdween de traan in de rode aarde.
Milan, zijn zoon was verloren.
In het stof, ver weg van het echtpaar, lag de jonge knul tot een balletje opgekruld. De zonnebril lag meters verder gebroken. Hij lag stil als de lijken om hem heen. Het bewustzijn was hem allang ontnomen. Zijn lichaam lag daar, klaar om door de kraaien opgevreten te worden.
Heel voorzichtig wikkelden krachtige armen zich om zijn lijf. Ze tilden hem van de grond en droegen hem.
"Sir, we hebben een overlevende gevonden." Een pauze, "Hij was alleen."
Peter Doodle staarde naar het lichaam van het kind, een kleuter, hoogstens zes jaar oud.
Zijn ogen stonden droevig, bijna alsof hij wenste dat het kind dood zou zijn. Zonder ouders had het geen kans.
Het was nu wees. Een erger lot kon de kapitein niet indenken.
