2 voorbeelden van de afgelopen 1.5 week:
Afgelopen weekend overleed een 24jarige geneeskunde student net over de finishlijn van de Dam tot Damloop:
http://www.telegraaf.nl/binnenland/2310 ... jdt__.html
Vorig weekend overleed er een triatleet op het NK cross in Ameland:
http://www.lc.nl/friesland/deelnemer-tr ... 60883.html
Ik vraag me af of verenigingen, sportbonden, trainers en artsen hier voldoende aan doen.
Graag wil ik met de sporters onder ons eens brainstormen over wat wij zelf hieraan kunnen doen; Hoe kunnen we preventief te werk gaan? Is een SMA voldoende, of is er meer educatie en voorlichting nodig bij zowel sporters als hun trainers?! Graag jullie kennis/ervaring/ideeen hierover
Ik wil dit graag meenemen naar de triatlonbond, de organisatie van verschillende sportevenementen en mijn eigen vereniging, wie weet kunnen jullie dat ook!Dus brand los
Wellicht nog interessant als achtergrond info, een mooi artikel van NLcoach.
\Citaat:Plotse door op het sportveld
Het is een zeer dramatische gebeurtenis: sporters die tijdens het sporten ineens dood neervallen. Het heet ‘sudden death’, ofwel plotse dood. Pas sinds kort is er meer aandacht voor preventie. Terecht, want plotse dood is vaak niet zo ‘plots’ als je zou denken. “Sporters moeten nog beter luisteren naar hun lichaam. Hoe kan het dat ogenschijnlijk gezonde mensen die een goede conditie hebben overlijden terwijl ze sporten? Dat is verbazingwekkend”, aldus Jan Hoogsteen, sportcardioloog en voormalig begeleider van de wielrenners van PDM en TVM.
Bijna iedereen heeft wel eens van sudden death gehoord. In Nederland kwam het eind jaren tachtig voor het eerst in het nieuws. Toen overleden kort na elkaar de wielrenners Bert Oosterbosch, Johannes Draaijer en Connie Meijer terwijl ze op de fiets zaten. Sindsdien halen ‘plotse doden’ regelmatig het nieuws. In respectievelijk 2003 en 2004 zakten de Kameroense international Marc-Vivien Foe en zijn Hongaarse collega Miklos Feher op het voetbalveld in elkaar. En begin maart 2007 overleden twee zestigers uit Zweden en een dertigjarige Noor tijdens ‘s werelds grootste langlaufwedstrijd, de Vasaloppet in Zweden. Al deze sporters overleden aan een hartstilstand terwijl ze hun sport beoefenden.
Hartstilstand
Een opsomming van plotse doden die het nieuws haalden, zegt natuurlijk nog niets over de mate waarin het verschijnsel ‘plotse dood’ in het algemeen voorkomt. Daarom eerst maar eens de feiten. In Nederland overlijden elk jaar naar schatting 100 à 150 sporters aan plotse dood. Deze schatting komt overeen met de cijfers die internationaal bekend zijn. Plotse dood komt bij sporters vaker voor dan bij niet-sporters. Dat heeft te maken met de belangrijkste oorzaak: een aangeboren hartafwijking. Deze afwijkingen komen bij niet-sporters weliswaar in gelijke mate voor als bij sporters, “maar de inspanning van het sporten kan ertoe leiden dat de bestaande hartproblemen, die niet gesignaleerd zijn, zodanig verergeren dat een hartstilstand optreedt,” aldus Jan Hoogsteen.
Dat aangeboren hartafwijkingen de belangrijkste oorzaak zijn van sudden death verklaart ook waarom sporters in de leeftijd van 35 tot 50 jaar relatief het vaakst slachtoffer worden. “Wie de vijftig heeft gehaald, heeft eventuele aangeboren aandoeningen overleefd,” zegt Willemien van Teeffelen, sportarts. “Op jonge leeftijd spelen aangeboren hartaandoeningen een belangrijke rol. Na de leeftijd van 35 jaar is aderverkalking van de kransslagaders de belangrijkste oorzaak. Daarnaast speelt een ontsteking van de hartspier een rol.”
Nog enkele feiten: professionele sporters worden net zo vaak getroffen als recreanten, sudden death komt in alle sporten voor, en mannelijke sporters overlijden twee keer zo vaak aan sudden death als vrouwen. “Dat laatste is heel opvallend,” zegt Jan Hoogsteen, “maar we weten niet hoe het komt. Misschien heeft het ermee te maken dat mannen op een hogere intensiteit sporten dan vrouwen. Maar het is vreemd, want ook bij niet-sporters zijn meer mannen het slachtoffer. Of onderlinge rivaliteit een rol speelt? Daarvoor zijn nooit bewijzen gevonden.”
Gebagatelliseerd
Het is inmiddels ruim vijftien jaar geleden dat Nederland werd opgeschrikt door de eerste gevallen van sudden death bij bekende sporters. Zowel Jan Hoogsteen als Willemien van Teeffelen vindt dat het onderwerp sindsdien niet de aandacht heeft gekregen die het verdient. Natuurlijk, het plotseling overlijden van bekende sporters trok steeds weer de aandacht van de media, maar vaak bleef het daarbij. Waarom is er de afgelopen jaren niet meer onderzoek gedaan naar dit verschijnsel en naar mogelijke preventie? “Dat komt mede doordat bestuurders van sportbonden en politici het probleem enigszins gebagatelliseerd hebben,” vindt Jan Hoogsteen. “Ze vonden het niet belangrijk genoeg.” Willemien van Teeffelen denkt dat dat te maken heeft met de frequentie waarin sudden death voorkomt. “Cijfermatig gezien is het geen omvangrijk volksgezondheidsprobleem,” zegt zij. “Maar het zijn wel gebeurtenissen die zoveel impact hebben dat meer aandacht gerechtvaardigd is.”
Jan Hoogsteen denkt bovendien dat het werkelijke probleem groter is dan men vermoedt. “Volgens de officiële getallen moet je zo’n 200.000 mensen nakijken om er tien te vinden met een risico op plotse dood. En van die tien zal er uiteindelijk één overlijden. Dus zeggen mensen: waar hebben we het over? Maar het cijfer dat in de literatuur wordt genoemd, is naar mijn mening te laag. Ik denk zelf dat er regelmatig mensen overlijden op het sportveld en dat dat niet altijd goed geregistreerd wordt. Ik vermoed dat het probleem tot nu toe nooit goed bekeken is.”
Knik
Behalve impact en omvang is er nóg een belangrijke reden om sudden death meer aandacht te geven, vinden Van Teeffelen en Hoogsteen. Plotse dood komt – in tegenstelling tot wat de benaming suggereert – zelden echt uit de lucht vallen. Willemien van Teeffelen: “Uit mijn onderzoek bleek dat slachtoffers van sudden death in de vier weken voor hun overlijden meer gezondheidsklachten hadden gehad dan normaal. Maar die klachten waren meestal vaag, zoals moeheid.”
Die bevinding wordt bevestigd door Jan Hoogsteen: “Vaak is het zo dat mensen voor hun dood klachten hadden die gebagatelliseerd zijn door de sporter zelf, door de coach of door zijn familie. En soms heeft zelfs de dokter ze onderschat. Veel sporters hadden een a-typische klacht waarvan je achteraf zegt: ‘Potverdorie, als we dat geweten hadden…’ De kunst is om het meteen te weten.” En volgens Jan Hoogsteen is dat vaak minder moeilijk dan het lijkt. Hij geeft enkele voorbeelden: “Sporters die tijdens het sporten ineens even bewusteloos raken, sporters die klagen over hartkloppingen en duizeligheid, en sporters die ineens veel kortademiger worden dan je op grond van de inspanning mag verwachten.” Dergelijke klachten worden nogal eens onderschat, weet de sportcardioloog: “Sporters zeggen dan al snel: ‘Toen ik even rustig aan deed, ging het over. Het zal wel door die verkoudheid komen. Ik zal wel te weinig gedronken hebben of moe zijn geweest.’ Maar juist deze kleine klachten kunnen de voorloper zijn van grote problemen. Dan is nader cardiologisch onderzoek noodzakelijk.”
Aan de andere kant: soms hoort pijn bij sport. Wanneer weet je of je een klacht moet laten onderzoeken? “Natuurlijk moet je een beetje kunnen afzien. Sommigen zeggen zelfs: ‘Pijn is fijn’. Maar rare fenomenen als kortademigheid en overmatig zweten moet je zeer serieus nemen. Als je goed luistert naar overlevenden van een hartstilstand of naar de nabestaanden van een slachtoffer, dan is er altijd iets raars geweest, iets wat niet past. Er zit altijd een knik in het verhaal.”
Goed nieuws
Gelukkig is er goed nieuws. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft namelijk de alarmbel geluid en is al sinds 2004 bezig om sporters ertoe te bewegen zich te onderzoeken. En wat is de rol van de coach in dit verhaal? Willemien van Teeffelen zou het een goede zaak vinden als coaches zich bekwamen in het reanimeren. Daarnaast ziet zij voor coaches een belangrijke taak weggelegd in de voorlichting. “Ze kunnen klachten oppikken en op waarde schatten.” Jan Hoogsteen heeft nog een ander advies aan coaches én sporters: “Wie aan sport doet, moet goed naar zijn lijf luisteren. Dat gebeurt tot nu toe onvoldoende. En de coach moet goed luisteren naar de sporter. Als je het niet vertrouwt: ingrijpen.” Van Teeffelen: “Denk nooit dat je als sporter onschendbaar bent.”
Dit is een aangepaste versie van een artikel dat in maart 2007 werd gepubliceerd in het blad ‘Coachen’.
Bron: nlcoach.nl
Een goede houding tijdens een oefening is zo belangrijk en een prettig gevoel van spierpijn (dat gevoel waarvan je weet dat je wat gedaan hebt, maar dat het niet hinderlijk is) is prima en een teken dat wat je aan het doen bent, goed is. Maar dat je zo hard hebt getraind dat je daarna amper wat kan?
Maar ieder zo zijn eigen ding laat ik maar zeggen.