Hier heb je wel iets aan denk ik!
De preventie van strongylose bij paarden.
Drs. J.H. Boersema, Hoofdafdeling Infectieziekten en Immunologie.
Inleiding.
De belangrijkste wormen van het paard zijn de strongyliden. Hiertoe behoren; de Cyathostominae ( dertig verschillende soorten) en Strongylus vulgaris. Het zijn deze wormen die een constante bedreiging vormen voor de gezondheid van paard en verdienen daarom een preventieve aanpak. Strongylus edentatus en Strongylus equinus zijn minder belangrijk. Zij worden buiten beschouwing gelaten maar worden ook adequaat bestreden met het hierna te bespreken ontwormingsschema.
Epidemiologie.
Niet ontwormde paarden scheiden, met de faeces, gedurende het hele jaar strongylus-eieren uit. In de eieren ontwik¬kelt zich een larfje dat als L1 het ei verlaat om zich vervolgens in de faeces te ontwikkelen tot het infectieuze L3 stadium. De L3 verlaat vervolgens de mest om zo in de omgeving op het gras terecht te komen. De ontwikkelingsduur van ei tot infectieuze larve en de migratiesnelheid van de L3 naar de vegetatie is vooral afhan¬ke¬lijk van de buiten¬tempera¬tuur. In het voorjaar duurt dit vele weken. In de zomer duurt dat globaal twee weken. Dit heeft tot gevolg dat zowel de eieren die in het voorjaar op de wei zijn gekomen als ook de eieren die daar later zijn terechtgekomen pas in de zomer als infectieuze larven op de vegetatie beschikbaar komen. De levensduur van de larven is afhankelijk van temperatuur en vochtigheid maar globaal enige maanden. De infectie met strongyliden vindt daarom vooral in de zomer en de herfst plaats.
De met het gras opgenomen larven van de Cyathostominae maken voordat ze volwassen worden eerst een ontwikke¬ling door in het slijmvlies van caecum en colon. De ontwikke¬lingstijd in het darmslijmvlies is 5 tot 6 weken maar het merendeel van de opgenomen L3 larven gaat direct na het binnendringen van de mucosa gedurende een aantal maanden in inhibitie. Dit heeft tot gevolg dat het gros van de larven die in de loop van de zomer en de herfst zijn opgeno¬men zich pas in de daarop volgende winter, lente en zomer tot volwas¬sen wormen ontwikkelen. De larven van S. vulgaris gaan niet in inhibitie maar hun ontwikkelingstijd in de arteriën duurt een aantal maanden zodat ook zij volwassen worden vanaf de tweede helft van de winter. De uitschei¬ding van de eieren van de strongyliden begint dus al in de loop van de winter. Paarden die in het voorjaar naar buiten gaan zullen het wei¬land dus meteen contamineren met eieren van zowel Cyathostominae als van S. vulgaris.
Preventie.
Infecties met strongy¬liden zijn weide-infecties. In hooi, kuilvoer en krachtvoer komen geen larven voor. Boxinfec¬ties spelen geen rol van betekenis. Het milieu in een strooisel¬laag is niet geschikt voor de overleving van larven. In con¬denswater op wanden kan nog wel eens een enkel larfje voorkomen, die dan door het paard opgelikt zou kunnen worden, maar de aantallen spelen geen belangrijke rol in het geheel. Paarden die op een stand staan lopen al helemaal geen risico. Voor paarden die het hele jaar zijn opge¬stald hoeven dan ook geen maatregelen te worden genomen om een infectie met strongyliden te voorkomen. Ze hoeven dus ook niet regelmatig ontwormd te worden. Bij paarden die weidegang krijgen moeten wel maatregelen worden genomen om ziekte te voorkom¬en. Bij zowel de Cyathostominae als S. vulgaris zijn het met name de larvale stadia die de schade veroorzaken. De preventie dient daarom gericht te zijn op het voorkomen van de opname van infectieuze larven. De oplos¬sing is in feite simpel. Als er geen wormeie¬ren worden uitgescheiden zul¬len er geen larven op het gras komen en zullen de paarden zich ook niet infecte¬ren. Dit is te reali¬seren door de paarden op van tevoren bepaalde tijdstippen te ontwor¬men.
Anthelmintica.
De voor paarden geregistreerde anthelmintica zijn op grond van hun werkingsmechanisme te verdelen in drie groepen. De (pro)benzimidazolederivaten waartoe fenbendazole (Panacur®, Equiworm F®, Elsu®) en febantel (Mira®, Rintal®, Pharbenlan®) behoren. Deze groep is voor de behandeling waar we nu over spreken onbruikbaar omdat de Cyathostominae tegen deze groep resistent zijn geworden. Pyrantel (Stron¬gid-P®, Anthel-P® ) behoort tot de ganglionstimulatoren. Pyrantel is effectief tegen de volwassen stadia, maar niet tegen de larvale stadia van de Cyathostominae en S. vulgaris. Tot de macrocyclische lactonen behoren iverme¬ctine (Eqval¬an®, Furexel® Ivomec-P®, Panomec®, Eraquell®) en moxidectine (Equest®). Ivermectine is effectief tegen de volwassen stadia, maar niet tegen de larvale stadia van de Cyathostominae en is werkzaam tegen de volwassen en larvale stadia van S. vulgaris. Moxidectine is effectief tegen de volwassen stadia, en een deel van de larvale stadia van de Cyathostominae en is werkzaam tegen de volwassen en larvale stadia van S. vulgaris.
Ontwormingsstrategie.
Paarden die in het voorjaar naar buiten gaan scheiden eieren van Cyathostominae en S. vulgaris uit. Om contaminatie van de weide met deze eieren te voorkomen moeten alle paarden worden ontwormd als ze naar buiten gaan. De volwas¬sen wormen worden gedood en de paarden zullen daarna gedurende een bepaal¬de periode geen eieren meer uitschei¬den. De larvale stadia van de Cyathostominae in de darmmucosa worden door pyrantel en ivermectine niet, en door moxidectine gedeeltelijk gedood. De niet gedode larven ontwikkelen zich verder en zullen na verloop van tijd volwassen worden en eieren gaan produceren. De behandeling zal daarom moeten worden herhaald. Na hoeveel tijd dit is wordt bepaald door de Egg Reappearance Period (ERP). De ERP is de tijd die verloop tussen het tijdstip van behandeling en het tijdstip waarop de gemiddelde eiuitscheiding van alle paarden hoger wordt dan 100 EPG. Binnen de ERP worden er wel eieren uitgescheiden maar de aantallen zijn te gering om problemen te veroorzaken. Bovendien blijft hierdoor een beperkte infectie optreden waardoor de paarden hun immuunstatus op peil houden. De ERP van pyrantel en ivermectine is respectievelijk 6 en 8 weken. Om de weidecontaminatie laag te houden zullen met pyrantel behandelde paarden daarom na 6 weken en met ivermectine behandelde paarden na 8 weken opnieuw behandeld moeten worden. De ERP van moxidectine is aanzienlijk langer omdat dit middel ook een deel van de larvale stadia doodt. Uit eigen onderzoek is gebleken dat de ERP van moxidectine minstens 25 weken is. Andere onderzoeken leverden vergelijkbare lengtes op. Om hun moverende redenen adviseert de fabrikant van moxidectine echter om de paarden met tussenpozen van 3 maanden te ontwormen.
Voor paarden die ’s zomers buiten lopen en ’s winters zijn opgestald geldt daarom het volgende te ontwormingsschema.
Alle paarden behandelen met pyrantel, ivermectine of moxidectine op het moment dat ze naar buiten gaan. Bij gebruik van pyrantel moet deze behandeling 3 keer worden herhaald met 6 weken tussentijd. Bij gebruik van ivermectine de behandeling 2 keer herhalen met 8 weken tussentijd. Bij gebruik van moxidectine hoeft de behandeling niet herhaald worden. De fabrikant van moxidectine adviseert echter om de behandeling na 3 maanden te herhalen.
Met dit schema wordt zowel cyathostominose als strongylose voorkomen. Ga maar na. Stel dat de paarden op 1 mei naar buiten gaan en op 1 november weer opgestald worden. Op 1 mei worden ze behandeld met, bijvoorbeeld, ivermectine. De tweede behande¬ling moet dan worden gegeven op 1 juli en de derde op 1 sep¬tem¬ber. Als de paarden met pyrantel worden behandeld wordt het toegediend op 1 mei, 15 juni, 1 augustus en 15 septem¬ber. Als moxidectine wordt gebruikt moeten ze behandeld worden op 1 mei. De eiuitscheiding begint in alle gevallen pas weer begin november als de paarden zijn opgestald. Bij het opstallen hoeven de paarden niet behandeld te worden omdat de mest en dus ook de eieren niet meer op de wei komen. De overlevingskansen van larven in een mesthoop zijn gering. Oude mest kan dan ook zondermeer voor bemesting worden gebruikt. Bovendien wordt de mest van paardenbedrijven meestal afgevoerd. De eerstvolgen¬de behandeling wordt pas weer gegeven als de paar¬den het daaropvolgende jaar weer naar buiten gaan. Ook S. vulgaris wordt met deze behandelingen adequaat bestreden. Zeker als ivermectine of moxidectine worden gebruikt omdat deze middelen ook effectief zijn tegen de larvale stadia van deze parasiet.
Op bedrijven waar de paarden het hele jaar buiten lopen moet dit regiem enigszins worden aangepast. De vanaf november uitgescheiden eieren komen nu wel op het land. Omdat de buitentemperatuur dan al laag is zal er geen of nauwelijks ontwikkeling van eieren optreden. Daar komt nog bij dat eieren van strongyliden slecht overwinteren. In de loop van de winter en het vroege voorjaar zal, als gevolg van het uit inhibitie komen van Cyathostominae en het volwassen worden van S. vulgaris, het EPG gaan stijgen. In het vroege voorjaar komen er daardoor relatief grote aantallen eieren op het land die zich bij de stijgende buitentemperatuur tot infectieuze larven kunnen ontwikkelen. Bij paarden die het hele jaar buiten lopen moet daarom worden geadviseerd om de eerste behandeling begin maart te geven, vervolgens met de aangegeven tussentijden de behandeling te herhalen en net als bij de opgestalde paarden in september te stoppen.
Bestrijding zonder anthelmintica.
Hetzelfde effect is te bereiken door alle mest van de paarden, gedurende het weideseizoen, twee keer per week te verwijderen. In de mest kunnen dan wel eieren voorkomen, maar de mest wordt verwijderd voordat de larven de mest verlaten. Een nadeel is natuur¬lijk de hoeveel¬heid werk. De voordelen voor de eigenaar zijn echter niet gering. Geen kosten voor wormmiddelen. Geen mestplaat¬sen in de wei zodat er veel meer gras ter beschikking is. Geen ontwikke¬ling van resis¬tentie tegen wormmiddelen. In de USA worden al gemotoriseer¬de "stofzuigers" gebruikt om mest uit de wei te verwijderen.
Resistentie.
Een belangrijk nadeel van een dergelijk behandelingsregiem is dat de selectiedruk voor de ontwikkeling van anthelminticumresistentie hoog is. Zorg er daarom in ieder geval voor dat de paarden geen onderdosering krijgen. Veel paarden zijn zwaarder dan 600 kg en moeten dus meer dan de inhoud van één injector toegediend krijgen.
Controleer minstens één keer per jaar de effectiviteit. Doe dit door 14 dagen na een behandeling van een representatief aantal paarden een eitelling uit te voeren of uit te laten voeren. Het EPG moet nul of nagenoeg nul zijn. Is dit niet het geval dan is er een behandelingsfout gemaakt of is er sprake van resistentie
Over het wisselen van anthelmintica bestaan veel misverstanden. Absoluut fout is om alternerend ganglionstimulatoren (pyrantel) en macrocyclische lactonen (ivermectine en moxidectine) te gebruiken. Dit kan multiresistentie tot gevolg hebben omdat twee opeenvolgende behandelingen binnen één generatie zullen vallen. Als er afgewisseld wordt moet dit jaarlijks worden gedaan. Het is overigens maar zeer de vraag of dit wel zin heeft want met twee groepen middelen kun je nauwelijks spreken van wisselen. Bovendien loop je tegen het probleem aan, dat er in een jaar waarin er pyrantel wordt gebruikt, er voor de bestrijding van Strongyloides en Gasterophilus toch ook één van macrocyclische lactonen moet worden toegediend. Mijn advies is daarom als volgt; behandel paarden met ivermectine of moxidectine. Deze kunnen overigens, omdat ze tot dezelfde groep behoren, door elkaar gebruikt worden. Zorg met name voor de juiste dosering. Controleer jaarlijks de effectiviteit. Pas als de effectiviteit afneemt pyrantel gebruiken. Bij de keus ivermectine of moxidectine kan op theoretische grond een geringe voorkeur worden uitgesproken voor ivermectine boven moxidectine. Ivermectine is namelijk niet effectief tegen de larvale stadia van de Cyathostominae. Hierdoor staat dat deel van de populatie niet onder de selectiedruk. De selectiescherpte bij gebruik van ivermectine is daarom lager dan bij gebruik van moxidectine.