Kreupelheden
Kreupelheden zijn onregelmatigheden in de normale voortbeweging van het paard. Oftewel: storingen in het normale gebruik van één of meer ledematen. Gewoonlijk kan het kreupele been alleen bij een bewegend paard worden aangewezen. Soms kan het kreupele been al bij een stilstaand paard worden vastgesteld omdat dit been minder of niet wordt belast: vooral bij het voorbeen is dit mogelijk doordat het kreupele been naar voren wordt geplaatst, wat "wijzen" of "pointeren" wordt genoemd. Voorzover het het voorbeen betreft, is het eerste kenmerk het "vallen op het gezonde been". Dat wil zeggen dat het kreupele been minder belast wordt en het gezonde been meer, zodat het hoofd daalt bij het neerzetten van het gezonde been en het hoofd meer of minder duidelijk opgeheven wordt bij het neerzetten van het kreupele been. In de achterhand is het eerste kenmerk de ongelijke daling van de beide kruishelften. Bij de normale voortbeweging van het paard gaat iedere kruishelft op en neer. De kruishelft aan de zijde van het kreupele been wordt laag gehouden.
Naar de oorzaak kunnen kreupelheden in 5 groepen ingedeeld worden:
1. Pijn (letsel of ontstekingsprocessen in beenderen, beenvlies, gewrichten, pezen, spieren en huid)
2. Mechanische belemmering (door vergroeiing, peesverkorting)
3. Verlammingen
4. Bloedtoevoerstoornissen
5. Pijnlijke toestanden of mechanische belemmeringen buiten het gebied van de ledematen.
Naar de aard kunnen onderscheiden worden:
• belastingskreupelheid
• bewegingskreupelheid
• gemengde kreupelheid
Bij belastingskreupelheid veroorzaakt het belasten van het been pijn. Belastingskreupelheid schuilt vaak in de onderste helft van het been, omdat daar de voor de belasting meest gevoelige delen zetelen. Bij bewegingskreupelheid veroorzaakt het voortbewegen van het been pijn of is dit door mechanische belemmeringen moeilijk uitvoerbaar. Bewegingskreupelheid schuilt vaak in de bovenste helft van het been omdat de pijn in de gewrichten en spieren van dit gebied het meest tot uiting komt bij de voortbeweging. Gemengde kreupelheid is een kreupelheid waarbij zowel het belasten als het voortbewegen pijn veroorzaakt en dus niet op normale wijze kan worden uitgevoerd.
Bij de belastingskreupelheid wordt de voortbeweging niet bemoeilijkt, het naar voren brengen van het been levert geen problemen op. Zodra het been neergezet is, treedt pijn op die toeneemt naarmate het been de verticale stand nadert. Het paard probeert in dit geval de belastingsfase te verkorten en het been zo snel mogelijk op te heffen. Bij de normale stap wordt de pas van ieder been door een verticaallijn, die men zich vanuit de elleboog kan indenken, in twee gelijke delen verdeeld. Bij de belastingskreupelheid wordt het gedeelte achter de verticaallijn verkort, dit wordt het "verkorten van de pas naar achteren" genoemd. Verder treedt het been minder door in de kogel. Tenslotte verergert de kreupelheid in de wending als het kreupele been het binnenste been is.
Bij de bewegingskreupelheid wordt het naar voren brengen bemoeilijkt, de tijdsduur wordt dus verlengd. Daarnaast wordt de pas naar voren verkort. Tenslotte verergert de kreupelheid in de wending als het kreupele been het buitenste been is. Een bewegingskreupelheid is op een zachte bodem vaak duidelijker zichtbaar dan op een harde bodem, een belastingskreupelheid is juist duidelijker zichtbaar op een harde bodem. Deze algemene regels kunnen een belangrijke hulp zijn om onderscheid tussen de verschillende kreupelheden te kunnen maken.
Als men achter het paard gaat staan, kunnen de spronggewrichten met elkaar vergeleken worden. Beide spronggewrichten zijn als regel niet volkomen gelijk. Dikwijls zijn de kruis-, dij- en broekspieren aan het kreupele been minder ontwikkeld. Kreupelheid kan het gevolg zijn van een steentje of een scherp voorwerp dat de hoef is binnengedrongen. Vaak veroorzaakt dit een pijnlijke ontsteking van de hoeflederhuid, waarbij sprake kan zijn van etter. De kreupelheid die optreedt, is een belastingskreupelheid die heftiger is naarmate de opgehoopte pus onder grotere spanning komt te staan. Het is mogelijk dat er na kortere of langere tijd een doorbraak in de hoornschoen ontstaat, maar het kan ook gebeuren dat het proces een uitweg zoekt langs de wand en er een doorbraak boven de kroonrand ontstaat. Dit laatste is vooral bij verwaarloosde gevallen het geval, dus als het proces niet tijdig is opengelegd.
Harde beengebreken
Harde beengebreken zijn verdikkingen in het botweefsel. Het zijn gewoonlijk beenuitstortingen aan de oppervlakte van het geraamte of de verbeningen van het kraakbeen
Hazehak
Hazehak is een verdikking aan de onderachterzijde van het spronggewricht, dat wil zeggen van de peesschede die vanaf de hakpunt tot aan de kop van het pijpbeen loopt, ongeveer 10 cm onder de punt. Deze verdikking is van opzij goed zichtbaar en ontstaat als gevolg van een ontwrichting van het spronggewricht. De verdikking is blijvend.
Overhoef
Bij overhoef is er sprake van een woekering in de nabijheid van het kroongewricht, het hoefgewricht of het gehele gewricht (ringbeen). Deze aandoening is soms lastig vast te stellen. De woekering steekt soms boven de kroonrand uit. De oorzaak hiervan is vaak geweld van buitenaf, overbelasting, rachitis, erfelijke aanleg, zwakke gewrichten, een abnormale beenstand of een slecht hoefbeslag. Soms is overhoef, dat tot kreupelheid leidt, door rust te genezen.
Schiefel
Bij schiefel is er sprake van benige verdikkingen op de pijp van het been. Het treedt vooral op bij jonge paarden. De oorzaak van schiefel is een te grote spanning van binnenuit of geweld van buitenaf. Soms kan kreupelheid ontstaan wanneer op de plaats van de schiefel een pees ligt en een peesontsteking ontstaat. Dan is rust een eerste vereiste en moet de plek met koud water afgespoten worden. Als de schiefel niet bij een pees zit, is er sprake van een schoonheidsfout. De schiefel is soms bij jonge paarden van rachitische (er wordt dan te weinig kalkzouten in de beenderen afgezet) oorsprong en verdwijnt dan later weer.
Spat
Bij spat gaat het om een beenwoekering van het binnenste deel van het spronggewricht en kan met de spatproef worden vastgesteld. Een dierenarts houdt hierbij het spronggewricht een minuut onder spanning door het extreem te buigen. Bij spat kan een speciaal hoefbeslag worden aangebracht, maar deze aandoening geeft verder weinig problemen.
Zachte beengebreken
Zachte beengebreken zijn zwellingen en uitpuilingen van overvolle holten. Het zijn meestal te grote vochtophopingen in slijmbeurzen, peesscheden of gewrichtszakken. Ze worden gewoonlijk "gallen" genoemd. Slijmbeurzen komen onder de pezen voor op plaatsen waar deze over een harde onderlaag glijden. Het zijn met vocht gevulde zakjes, die ter bescherming dienen. Waar pezen over elkaar of over een harde onderlaag glijden, zijn deze vaak plaatselijk door een met vocht gevulde peesschede omgeven. In de gewrichtszak, die het gewricht luchtdicht afsluit, wordt vocht afgescheiden. Er zijn gewrichtsgallen, peesschedegallen en slijmbeursgallen. De zachte beengebreken zorgen er bij het ontstaan soms voor dat het paard kreupel is. Als deze beengebreken eenmaal gevormd zijn, is het paard normaal gesproken niet meer kreupel, maar het gebrek, dat wil zeggen de te grote vochtophoping, blijft. Deze is als regel als een uitpuiling zichtbaar.
Gallen
Gallen zijn gewrichtszakken of peesscheden die op bepaalde plaatsen te veel vocht bevatten. Hieraan hoeft geen aandacht besteed te worden als het paard er niet kreupel van wordt. Ze kunnen op een niet optimaal beenwerk, een verkeerde beenstand of een verwaarlozing van de voeten wijzen.
Peesklap
Bij het springen of galopperen kan het peesweefsel van de buigpezen en de peesscheden scheuren. Het scheuren van deze langs de achterkant van het pijpbeen lopende pezen is zeer pijnlijk. Het leidt tot kreupelheid en sterke zwelling rond de gescheurde plek. Drie maanden volledige rust is onvermijdelijk.
Piephak (dikke hak)
Piephak houdt in dat de slijmbeurs op de punt van het spronggewricht te veel met vocht gevuld raakt. Meestal wordt deze aandoening veroorzaakt door een kneuzing, bijvoorbeeld bij een paard dat zich bij het opstaan op een te harde bodem in de stal steeds blesseert. Ook kan piephak veroorzaakt worden door het stoten of slaan van het paard. Er is weinig tegen deze aandoening te doen. Het enige dat u kunt doen is de plek bij acute gevallen twee maal per dag met koud water af te spuiten.
Bolspat
Bolspat is de gal van het spronggewricht. De gewrichtszak kan maar op twee plaatsen uitzetten, namelijk aan de binnenvoorzijde en aan de achterzijde. Als dit minder erg is en van tijdelijke aard, dan spreekt men van "bloei".
Vlot- of waaigal
Dit komt vrij veel voor en is gelegen in de driehoek die gevormd wordt door de achillespees, de top van het hielbeen en de schenkelspier.
Legger
Een legger is een zwelling aan de punt van de elleboog. De oorzaak hiervan is dat de bodem voor het paard te hard is om op te liggen en dat het dier zich bij het opstaan telkens met de elleboog aan de bodem stoot. Een paard wordt er meestal niet kreupel van. Er is dan alleen sprake van een schoonheidsfout. Het is een slijmbeursgal, voorkomend als een gezwel ter grootte van een vuist of groter. Soms kan het ook hard aanvoelen.
Mouw
De mouw, de gewrichtsgal van het achter- of eigenlijke kniegewricht. Het gebrek doet zich dikwijls voor als een enigszins cilindervormige uitpuiling aan de voorzijde van de knie en zet zich 10-12 cm voort in de richting van de schenkel.