De beste manier is natuurlijk direct na afloop het aan de jury vragen. Wij waren er niet bij, en kunnen dus slechts in algemeenheden reageren.
Eerst iets over de oorsprong van de onderdelen “Houding en zit van de ruiter” en “Rijvaardigheid en effect van de hulpen”. “Vroeger” hadden we daarvoor 1 onderdeel: Houding en zit van de ruiter en het effect van de hulpen. En dan kreeg je een deelnemer in de baan die een prachtige zit had, maar weinig inwerking waardoor het paard maar een beetje impulsloos in de rondte liep. En die gaf je dan een 7: 9 voor de zit + 5 voor effect hulpen gedeeld door 2. En een deelnemer met een iets minder fraaie zit, maar die wel zeer effectief kon inwerken en het paard erg mooi kon voorstellen. En die gaf je ook een 7: 7 voor de zit en 7 voor effect hulpen. Dat boodt weinig duidelijkheid, vandaar dat men besloten heeft deze onderdelen uit elkaar te halen.
Terug naar je vraag, waar kijken we dan naar bij het onderdeel “Rijvaardigheid en effect van de hulpen”?
Bij rijvaardigheid kijken we naar hoe je de proef uitvoert: hoe zet je een oefening in, hoe corrigeer je het paard als het even mis gaat, kies je het juiste moment (aanleuning, ontspanning) voor een overgang. Dat soort dingen. Met 216 pnt zal dat wel goed zitten.
Blijft over het effect van de hulpen. Daarbij kijken we naar de reactie van het paard op de hulpen: reageert het op de eerste hulp, loopt het zelf door of moet je regelmatig tussendoor een drijvende hulp geven, hoe groot/klein zijn de hulpen.
En in de praktijk is dat dus wat Angela zegt:
Angela schreef:Je kunt een mooie volte rijden, een 8 waardig. Daarvoor moet je echter een iets grotere hulp geven als bij een andere ruiter. Deze kan dezelfde volte neerzetten (ook voor een 8), maar dan met kleinere hulpen. Het effect van de hulpen van de tweede ruiter zijn dus groter, want de hulp is kleiner.