Uit de stof van de juryopleiding
Citaat:
Halsstrekken in stap of draf.
De ruiter staat het paard toe zijn hoofd en hals in een geleidelijke beweging naar voren te brengen, met de neus voor de loodlijn tot ongeveer kniehoogte. Het paard volgt hierbij de uitnodigende en toestaande hand van de ruiter onvoorwaardelijk.
Het tempo en de takt in de arbeidsstap of arbeidsdraf veranderen tijdens het halsstrekken niet. De ruiter bewaart het contact met de mond en onderhoudt een lichte aanleuning.
Het weer in de hand stellen gebeurd op een vloeiende manier. Het paard blijft daarbij ontspannen en in het juiste tempo en komt als vanzelf nageeflijk aan het bit weer in de juiste houding.
Het weer even naar boven, en weer opnieuw de hals strekken, eventueel op verzoek van de ruiter, mag niet beschouwd worden als grote fout. Het naar beneden vallen van het hoofd van het paard, waarbij de teugel uit de hand van de ruiter wordt getrokken, moet wel als een grote fout gezien worden.
De kwaliteit van het halsstrekken wordt veel meer beoordeeld naar de totaalindruk zoals genoemd in het scala van de africhting. Dat wil zeggen dat de regelmaat (takt) van de beweging, de ontspanning en souplesse, de aanleuning, de impuls en het recht gericht zijn de kwaliteit van de oefening mede bepalen.
Beoordelingsfactoren van het correct strekken van de hals.
Ø Het paard brengt zijn hoofd en hals in een vloeiende beweging naar voren en beneden tot de juiste hoogte met de neus voor de loodlijn.
Ø Het juiste tempo blijft gehandhaafd.
Ø Het paard blijft regelmatig.
Ø Het paard blijft op de voorgeschreven lijn.
Ø Het paard wordt correct weer in de hand gesteld.
Onjuistheden tijdens het halsstrekken kunnen zijn:
Ø Het paard trekt de teugels uit de hand.
Ø Het paard gaat tegen de hand.
Ø Het paard veranderd van tempo.
Ø Het paard wordt onregelmatig.
Ø Het paard wijkt af van de voorgeschreven lijn.