De manen:
a – Gevlochten in één enkele rij van dubbel geslagen vlechtjes of knotjes die afgewerkt mogen zijn met wit band. De maantop mag daarbij los blijven, maar moet dan over de frontriem worden gedragen.
b – Los gedragen goed verzorgde naar één zijde liggende manen van gelijke lengte.
c – Op andere wijze dan onder (a) aangegeven ingevlochten manen
d – Totaal afgeschoren manen.
Bij voorkeur wordt vlak achter de oren een stukje manen verwijderd (‘derde oor’), zodat het hoofdstel een goede ligplaats heeft.
De bovenkant van de staart:
a – De haren van de staart ingevlochten over een afstand van tenminste een vierde deel van de staartwortel. Het mee vlechten van gekleurde linten wordt voor dressuurwedstrijden minder op prijs gesteld.
b – De haren van de staartwortel ‘bijgetrokken’.
c – De haren van de staartwortel ‘bijgeknipt’of ‘bijgeschoren’.
De onderkant van de staart:
a – recht afknipt. De lengte in ‘ gedragen’ toestand reikt tenminste een handbreedte onder de spronggewrichten.
b – gedragen in niet bijgewerkte toestand, lengte als onder (a).