Je pakt een meetlint en meet vervolgens de kussens onderlangs op, van de voorkant van de kussens tot de achterkant zodat je de horizontale lengte van het kussen meet.
Dit is echter totaal niet relevant om te meten. Het lijkt tegenwoordig hip te zijn om de lengte van het zadeldraagvlak van het paard te meten en vervolgens de lengte van de kussens van het zadel. Als de kussens dan dezelfde of een kortere lengte hebben, zou het moeten passen.
Dit is echter een misverstand. Ten eerste is de lengte van het zadeldraagvlak van het het paard in beweging anders dan op stand. Wanneer een paard in beweging komt, gaat de schouder bewegen (naar achteren roteren, zadeldraagvlak wordt korter), de rug komt omhoog doordat het achterbeen ondertreed (zadeldraagvlak wordt langer), het paard buigt lateraal enz. enz.
In de tweede plaats is de vorm van de boom belangrijker dan de lengte van de kussens. Stel je paard heeft een zadeldraagvlak van 50 centimeter en een iets gezonken rug. Zadel A heeft een lengte van 50 centimeter en een vrij rechte boom. In theorie zou het moeten passen. Nu leg je het zadel op het paard en komt ver achter de laatste rib uit. Het zadel is dus te lang, terwijl de lengte van de kussens overeen komen. Zadel B heeft een boom met meer curve en de lengte van de kussens is 53 cm, tevens hebben de kussens meer curve. In theorie is het zadel te lang. Nu leg je het op je paard en blijkt het zadel netjes tot de 18e rib te dragen. Het kan zelfs zo zijn dat je zadel C erop legt, met een boom die past op het paard, de kussens hebben een lengte van 56 cm en op stand is het zadel duidelijk te lang voor je paard. Nu gaat je paard bewegen, de rug komt omhoog, het zadeldraagvlak wordt langer. In beweging blijkt het zadel helemaal niet achter de 18e rib te dragen.
Daarom moet als derde punt het werk van de zadelmaker genoemd worden. Een goede zadelmaker kan soms een iets te lang zadel waarvan de boom wèl goed gevormd is en de kussens een vorm hebben waar mee 'gespeeld' kan worden zo opvullen dat het draagvlak van het zadel niet voorbij de 18e rib komt in beweging. Op die manier kan met een grotere inchmaat gereden worden zonder dat het paard daar last van heeft. Dat is veel beter dan de ruiter in een te klein zadel te zetten, want dan komt de ruiter achterop de lepel te zitten en krijg je piekbelasting in het achterste deel van het zadeldraagvlak. Daar heeft het paard wèl last van.