Algemeen
Een paardenhouder in Zwartewaal heeft na een jarenlange juridische procedure afgelopen woensdag, 18 februari, gelijk gekregen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarmee komt een einde aan een langdurig conflict over het gebruik van een perceel voor het houden van paarden en de bijbehorende activiteiten.
Volgens de hoogste bestuursrechter had het bevoegd gezag onvoldoende onderbouwd waarom de activiteiten van de paardenhouder in strijd zouden zijn met het geldende bestemmingsplan. De Raad van State oordeelde dat de eerdere besluiten niet zorgvuldig genoeg waren gemotiveerd en dat onvoldoende rekening was gehouden met de feitelijke situatie op het terrein.
Planologische mogelijkheden
De zaak draaide om een paardenhouder in Zwartewaal die al jaren in conflict was met de gemeente over de planologische mogelijkheden (de (juridische) mogelijkheden die een bestemmingsplan of omgevingsplan biedt voor het gebruik en de bebouwing van een perceel, zoals welke functies zijn toegestaan, hoeveel en hoe er gebouwd mag worden en onder welke voorwaarden - red.) voor zijn bedrijf. De kern van het geschil lag bij de vraag in hoeverre de activiteiten van de paardenhouderij pasten binnen het geldende bestemmingsplan en of de gemeente voldoende rekening had gehouden met de feitelijke bedrijfsvoering.
Bestemmingsplan en eerdere besluiten
Uit de eerste uitspraak blijkt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak vooral heeft gekeken naar de wijze waarop het bestemmingsplan en eerdere besluiten waren onderbouwd. Daarbij werd beoordeeld of de gemeente zorgvuldig had gemotiveerd waarom bepaalde uitbreidings- en gebruiksmogelijkheden voor de paardenhouderij niet konden worden toegestaan. Ook speelde mee of de feitelijke situatie op het terrein, waaronder het houden en trainen van paarden, juridisch correct was gekwalificeerd binnen de geldende planregels. Daarbij stelde de Afdeling Bestuursrechtspraak tevens vast dat de bestemmingsplannen ‘Veegplan 1’ en ‘Veegplan 2’ waren vernietigd, omdat deze digitaal niet voldoende kenbaar en toetsbaar waren. Hierdoor kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld welk juridisch regime van toepassing was. Dit achtte de Afdeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, dat vereist dat geldende planregels voor betrokkenen duidelijk en controleerbaar moeten zijn.
Onvoldoende gemotiveerd
In een tweede procedure stond opnieuw de planologische inpassing centraal. De Afdeling oordeelde dat de gemeente bij het nemen van haar besluit onvoldoende had gemotiveerd hoe zij de belangen van de paardenhouder had afgewogen tegen andere ruimtelijke belangen in de omgeving. Daarbij kwam onder meer aan de orde dat de bedrijfsactiviteiten al langere tijd plaatsvonden en dat het bestuursorgaan had moeten beoordelen in hoeverre sprake was van bestaand legaal gebruik dat bescherming verdiende. Daarnaast overwoog de Afdeling dat de gemeenteraad onzorgvuldig had gehandeld door onvoldoende rekening te houden met het concrete uitbreidingsinitiatief van de paardenhouder en de daarvoor verleende omgevingsvergunning. Deze omstandigheden hadden nadrukkelijk in de besluitvorming moeten worden betrokken, mede gelet op de rechtspositie en gerechtvaardigde verwachtingen van de ondernemer.
Rechtmatigheid van de besluitvorming
De derde uitspraak bouwde voort op deze eerdere oordelen en richtte zich vooral op de rechtmatigheid van de besluitvorming en de vraag of de gemeente bij het opleggen van beperkingen en het weigeren van planologische ruimte de juiste procedurele stappen had gezet. De afdeling concludeerde dat de motivering en belangenafweging op meerdere punten tekortschoten, waardoor de besluiten niet in stand konden blijven. Daarmee kreeg de paardenhouder na jaren van juridische procedures alsnog grotendeels gelijk. In dat kader werd ook de opgelegde last onder dwangsom vernietigd, omdat door de gebrekkige en vernietigde bestemmingsplannen niet kon worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake was van een overtreding. Verder oordeelde de Afdeling dat de verleende omgevingsvergunning onvoldoende was gemotiveerd, aangezien deze was gebaseerd op een inmiddels vernietigd bestemmingsplan. De gemeente kreeg een termijn van twintig weken om dit gebrek te herstellen.
Planologische onderbouwing
Gezamenlijk laten de uitspraken zien dat bij langdurige bestaande bedrijfsactiviteiten een zorgvuldige en deugdelijke planologische onderbouwing essentieel is. Wanneer een gemeente beperkingen wil opleggen aan een paardenhouderij, moet zij niet alleen kijken naar het bestemmingsplan, maar ook naar de feitelijke situatie, het bestaande gebruik en de belangen van de ondernemer. Ontbreekt die zorgvuldige afweging, dan kan de Raad van State ingrijpen en besluiten vernietigen.
Gebruikte bronnen: