Onlangs werd er vanuit de paarden kliniek VCHN een lezing gegeven over ontworming en mestonderzoek.
Deze lezing werd gegeven door Zoetis, fabrikant van oa diverse ontwormingsmiddelen.
Zal hier wat stukjes neerzetten van de lezing:
Citaat:
Mestonderzoek
Een belangrijk onderdeel van wormbestrijding is het regelmatig controleren van de wormbelasting. De test die hiervoor gebruikt wordt is het vaststellen van het EPG (aantal eieren per gram mest).
Mestonderzoek (EPG)
De EPG bepaling geeft een indicatie van het aantal volwassen wormen in uw paard(en) door het vaststellen van het aantal wormeieren in een mestmonster. Het geeft echter niet de totale wormbelasting van rond- en lintwormen aan, omdat de lintworm haar eitjes niet voortdurend uitscheidt. Het kan dus zijn dat er geen lintwormeieren worden aangetoond, terwijl er wel een lintwormbesmetting aanwezig is. Bovendien leggen de larven van wormen geen eieren. En juist deze larvale stadia van wormen zijn vaak het meest schadelijk (bijv. de ingekapselde kleine rode bloedwormlarven). Deze kunnen niet worden aangetoond in een mestmonster.
Waarom is mestonderzoek belangrijk?
Om een indicatie te verkrijgen van het besmettingsniveau van volwassen wormen bij uw paard(en) en om inzicht te krijgen in de verschillende wormsoorten die een rol spelen.
Om doelgericht te kunnen ontwormen. Dat houdt in dit geval in, dat alleen de paarden worden ontwormd die een significante besmetting hebben (meestal wordt een grens van >200 eieren per gram mest aangehouden).
Om te kijken of uw ontwormingsplan of schema werkt. Zo kan de EPG test vóór het ontwormen worden uitgevoerd en ná het ontwormen. Als aangetoond wordt dat de behandeling niet gewerkt heeft, kan er sprake zijn van resistentie tegen het wormmiddel dat u gebruikt heeft.
Welke parasieten kunnen worden vastgesteld door mestonderzoek?
Kleine rode bloedworm V
Grote bloedworm V
Spoelworm V
Larven X
Ingekapselde larven van de kleine rode bloedworm X
Aarswormen of Oxyuri X
Lintwormen X
Horzellarven X
Wanneer zou ik mestonderzoek moeten doen?
Geadviseerd wordt om de EPG bepaling in het voorjaar en tijdens de zomer uit te voeren. Op basis daarvan kan gekozen worden welk ontwormingsmiddel het meest geschikt is. Ook is het mogelijk dat de wormbelasting zo laag is, dat er niet ontwormd hoeft te worden. Dat laatste is zeer gunstig om resistentieontwikkeling tegen te gaan. Een EPG bepaling zou minstens één keer per jaar moeten worden uitgevoerd tijdens het weideseizoen. Hiermee kan beoordeeld worden of uw ontwormingsschema voldoende effectief is. Nieuwe paarden zouden in quarantaine gehouden moeten worden. Tijdens de quarantaineperiode kan een EPG bepaling uitgevoerd worden om de belasting vast te stellen. Zo weet u welke wormrisico’s u loopt.
In een mestonderzoek kunnen de ingekapselde larven van de kleine rode bloedworm niet worden aangetoond. Larven in dit stadium zijn echter het meest schadelijk voor uw paard. Paarden kunnen miljoenen ingekapselde larven hebben, maar een heel laag EPG laten zien. Dowdall et al. (2002) Veterinary Parasitology 106, 225-242
Draadwormen (Oxyuris, of aarswormen) kunnen niet worden vastgesteld door middel van mestonderzoek, omdat ze gedurende hun levenscyclus niet voortdurend eieren leggen.
Lintwormen scheiden hun eitjes ook niet continu met de mest uit. Een negatief EPG, of een laag EPG, zegt dus niet per definitie dat er geen lintwormbesmetting is.
Horzellarven kunnen niet met mestonderzoek worden vastgesteld.
De EPG bepaling is slechts een momentopname en geeft een indicatie van het aantal volwassen wormen die uw paard op dat moment belasten. Mestonderzoek is zeer nuttig, maar vormt niet het volledige antwoord.
Preventie:
Citaat:
In het kader van de preventie moet tijdens het weideseizoen regelmatig bestrijding van rondwormen plaatsvinden. Bij milde, natte winters lopen paarden echter het risico dat ze laat in het jaar infectieuze larven opnemen. Daarom moeten kleine strongyliden het hele jaar door worden bestreden. Tegenwoordig zijn kleine strongyliden of kleine/rode bloedwormen de meest voorkomende en meest schadelijke parasieten bij paarden. Na opname tijdens het grazen kunnen de larven de darmwand doorboren en zich daarin ophopen, wat levensbedreigend kan zijn. Door het wijdverspreide gebruik van wormmiddelen is de besmetting met grote strongyliden weliswaar verminderd, maar de migrerende larvaire stadia van deze wormen kunnen nog steeds fataal zijn.
Preventie moet ook gericht zijn tegen ingekapselde larven van kleine strongyliden. Als ze niet worden bestreden kunnen ze in de late winter of het vroege voorjaar massaal uit de darmwand vrijkomen. Een behandeling met een wormmiddel tegen deze ingekapselde larven wordt in ieder geval bij het opstallen aanbevolen.
Weidemanagement:
Verwijder de mest regelmatig uit de wei waarin uw paard loopt: in het weideseizoen minimaal tweemaal per week, van november tot en met maart eenmaal per week.
Zorg dat de wei niet overbezet is. In het ideale geval moeten er per hectare weiland niet meer dan 3 tot 5 paarden lopen.
Zorg, indien mogelijk, dat de weide ter afwisseling door runderen of schapen wordt begraasd. Zij zijn natuurlijke stofzuigers. Ze eten de eitjes en larven op maar worden zelf niet ziek van paardenwormen.
Voorkom dat veulens samen met oudere paarden grazen. Deze laatste kunnen een belangrijke bron van besmetting zijn, en moeten regelmatig worden ontwormd.