Onderzoekers van de universiteit van Cornwell hebben recent ontdekt dat, althans bij paardachtigen, het de genen van de vader zijn die het belangrijkste zijn voor het ontwikkelen van de placenta.
Dr. Xu Wang zegt: “We hebben meer genen van de vader dan van de moeder ontdekt in de placenta van paardachtigen. Dat suggereert een grotere bijdrage van de vaderlijke genomen aan de ontwikkeling van de placenta. Je zou denken dat het moederdier de ‘controle’ heeft over de placenta in haar eigen lichaam, maar dat is dus niet het geval.’
De meerderheid van de genen van een organisme komen zowel van moeder als vader, maar een klein aantal genen (de ingeprente genen) komen enkel van de moeder of enkel van de vader. Bij mensen hebben wetenschappers 60 dergelijke genen ontdekt, bij muizen 100.
Bij paardachtigen hebben wetenschappers 93 ingeprente genen gevonden, waarvan er 78 uniek voor de soort zijn. Ze hebben daarvoor RNA van de trofoblasten (de belangrijkste cellen die zich ontwikkelen tot de placenta) van muildieren (met een paardenvader en een ezelmoeder) en muilezels (met een ezelvader en een paardenmoeder) onderzocht. De ingeprente genen die specifiek zijn voor paardachtigen kwamen daar van de vader en waren enkel ingeprent in de placenta, en dat is uniek voor de paardachtigen.
De ontdekking kan van groot belang zijn voor fokkers. Als een hengst een mutatie draagt van een ingeprent vaderlijk gen, kan dat leiden tot defecten in de ontwikkeling van de placenta bij merries die door hem gedekt worden. Dergelijke defecten kunnen leiden tot een verlies van de foetus of complicaties in een laat stadium van de dracht die kunnen leiden tot vroeggeboorte. Dergelijke genetische defecten komen niet vaak voor, maar het is slim om bij de fokker te checken of merries die eerder door de hengst gedekt zijn problemen hadden met de placenta.
Het onderzoek kan ook gelinkt worden aan het fenomeen van ‘het effect van de grootvader aan moederskant’. Bepaalde volbloedhengsten worden bekend als vaders van fokmerries (de zogenaamde 'merriemakers') omdat ze vaak merrieveulens geven die op hun beurt uitmuntende racepaarden geven. Veel gekende merriemakers geven ook in eerste lijn veulens die goed presteren. Anderen doen dat niet, en dat suggereert dat er twee types erfelijkheid aan het werk zijn in het doorgeven van atletisch vermogen.