Moderators: Essie73, NadjaNadja, Muiz, Telpeva, ynskek, Ladybird, Polly
co2 schreef:Dribbel schreef:Kloon heeft hetzelfde DNA als nummer 1, dus als je wil fokken met nummer 1, kun je ook het DNA (in de sperma) van de kloon nemen. Hij heeft 'bereikt' dat hij het DNA van een goed paard heeft.
Nadeel is alleen dat het papier een stuk minder aantrekkelijk is lijkt mij?
Avelienvd schreef:En blijft het feit: is deze kloon net zo goed als het echte werk?
Vaak zijn de klonen toch van mindere kwaliteit dan het origineel...
Yamcha schreef:Een kloon is even goed en vererft ook hetzelfde, want genetisch identiek, zoals bv een eeneiige tweeling genetisch identiek is. De prestaties doen dus gewoon helemaal niet ter zake, het origineel heeft zich bewezen.
Ik zou er kalmpjes mee dekken als ik in die richting wilde fokken, het is een bewezen hengst, wat wil je nog meer?
MiniMouse schreef:Yamcha schreef:Een kloon is even goed en vererft ook hetzelfde, want genetisch identiek, zoals bv een eeneiige tweeling genetisch identiek is. De prestaties doen dus gewoon helemaal niet ter zake, het origineel heeft zich bewezen.
Ik zou er kalmpjes mee dekken als ik in die richting wilde fokken, het is een bewezen hengst, wat wil je nog meer?
Maar is er ook bewezen dat een nakomeling van een kloon zich kan bewijzen, als nakomelingen dat van de originele hengst dat gemiddeld doen?
Wikipedia schreef:Reproductief klonen
Reproductief klonen is het klonen met de bedoeling om een identieke kloon te creëren, die kan uitgroeien tot een volwaardig organisme. De meest klassieke methode van reproductief klonen is embryosplitsing. Daarbij wordt een embryo fysiek in twee gesplitst en is het resultaat net hetzelfde als bij een identieke tweeling. De grondlegger van deze techniek is de Duitse embryoloog en Nobelprijswinnaar Hans Spemann.
De moderne techniek om te klonen is kerntransplantatie. Deze techniek wordt ook wel ‘Somatic cell nucleus transfer’ (SCNT) genoemd. Daarbij wordt de kern van een volwassen cel van de genetische moeder in vitro ingebracht in een ontkernde eicel, die vervolgens wordt ingebracht in de baarmoeder van een draagmoeder. Op deze manier is de voortplanting via geslachtscellen omzeild. Al het erfelijke materiaal van de kloon is afkomstig van één ouder. De eerste die deze techniek voorstelde was Hans Spemann, hoewel hij ze zelf nooit heeft uitgevoerd.
Het eerste zoogdier dat gekloond werd via deze techniek was het schaap Dolly in 1996. Na Dolly werden onder meer ratten, muizen, geiten, koeien, varkens, konijnen, poezen, honden en apen gekloond. Dit verliep zeker niet probleemloos. De kloontechniek is inefficiënt, de meeste gekloonde embryo's en foetussen sterven tijdens de zwangerschap. Veel van de gekloonde dieren bleken niet gezond te zijn. Ze leden onder andere aan defecten aan het afweersysteem, problemen met de vruchtbaarheid, overgewicht, ademhalings- en bloedcirculatieproblemen, nier- en hersenafwijkingen, diabetes, vergrote tongen, vervormde gezichten en poten, vroegtijdig sterven door longontsteking, leveraandoeningen en kanker. Een mogelijke verklaring schuilt in het feit, dat ze bij geboorte al kortere telomeren hebben. Klonen gaat dan ook gepaard met veel dierenleed.
Tot op heden is de belangrijkste praktische toepassing van het klonen van dieren de vermenigvuldiging van dieren die hierbij tegelijkertijd door middel van genetische technologie genetisch worden gemodificeerd. Een combinatie van van gentechnologie en klonen maakt het mogelijk om heel precies een gen uit te schakelen of toe te voegen, waardoor snel transgene dieren kunnen worden gemaakt. Zo zijn er bijvoorbeeld varkens gemaakt die beter geschikt zijn voor xenotransplantatie en runderen die geen gekkekoeienziekte kunnen krijgen. Inmiddels beginnen in de VS de eerste producten afkomstig van gekloonde dieren op de markt te komen, waaronder vlees dat wel kloonvlees wordt genoemd.
Het klonen van organismen wordt vaak verward met het exact kopiëren van deze organismen. Dit is echter niet hetzelfde. Een kloon is geen exacte kopie, maar een genetische kopie van het origineel. Bij klonen worden stamcellen uit het moederorganisme gehaald, die daarna weer verder ontwikkelen in een pleegmoeder. Als men bijvoorbeeld als celdonor een dier gebruikt van 10 jaar zal de kloon bij de geboorte net zo ontwikkeld zijn als een "normaal" jong dier dat net is geboren. De kloon is dus niet meteen 10 jaar oud.
MiniMouse schreef:Maar het zijn oudere genen, die weer ouder worden in een nieuw lichaam en misschien wel verslechteren?