Algemeen

Een paard met cushing, de vacht valt hier duidelijk op. Foto: Bokker Ellepel/Bokt Wiki
Onlangs hebben onderzoekers richtlijnen gepubliceerd voor de klinische zorg voor paarden met de ziekte van Cushing. Zij zeggen dat er behoefte is aan hoogwaardig bewijs in de veterinaire literatuur over diagnose en behandeling van deze aandoening.
De ziekte van Cushing bij paarden, beter bekend als Pituitary Pars Intermedia Dysfunctie (PPID), komt vaak voor bij oudere paarden en pony's. De diagnose kan lastig zijn vanwege de vele symptomen van de ziekte, maar ook verschillen de gepubliceerde diagnostische criteria. Dit schrijven de onderzoekers in het Equine Veterinary Journal. De meeste gepubliceerde artikelen over de aandoening draaien om meningen van experts of case series, zeiden ze. "Er zijn slechts twee onderzoeken naar de nauwkeurigheid van één beschikbare diagnostische test. En er is één onderzoek naar de effectiviteit van één behandeling als informatie voor klinische besluitvorming."
De ontwikkeling van klinische richtlijnen is standaard in de menselijke gezondheidszorg. Het is aangetoond dat deze invloed hebben op de besluitvorming in klinieken. De British Equine Veterinary Association heeft het initiatief genomen tot de ontwikkeling van een reeks richtlijnen voor de klinische praktijk. Deze zijn gepubliceerd in het Equine Veterinary Journal. De recent gepubliceerde PPID-richtlijnen zijn de laatste in de reeks.
Het onderzoeksteam stelde zich tot doel om op bewijs gebaseerde klinische praktijkrichtlijnen te ontwikkelen voor de diagnose en behandeling van de aandoening bij paarden. Dit nadat eerst vragen, die relevant zijn voor de klinische praktijk, waren beantwoord door een panel van eerstelijns en gespecialiseerde dierenartsen. Deze gaven aan dat tussen de 21% en 27% van de paardachtigen van 15 jaar of ouder PPID heeft. Overmatige haargroei of vertraagde/onvolledige verharing van de vacht is voor de artsen een eerste signaal van PPID. "De combinatie van klinische symptomen en leeftijd bepaalt hoe hoog de verdenking is, voorafgaand aan diagnostisch onderzoek", zo gaven ze aan. De geschatte kans dat het paard PPID heeft, moet volgens hen worden overwogen bij het interpreteren van diagnostische testresultaten. Hierbij merkten ze op dat de kans op PPID laag is bij paarden jonger dan 10 jaar. Zowel de hoogte van de kans dat het paard de ziekte heeft, als het testseizoen hebben een sterke invloed op het vermogen om PPID te diagnosticeren met behulp van basaal adrenocorticotroop hormoon (ACTH) of ACTH na thyrotropin-releasing hormoon (TRH) stimulatie. De test voor het diagnosticeren van PPID is in herfst tussen de 88% en 92% accuraat, tegenover 70% tot 86% buiten de herfst. Dit is afhankelijk van hoe groot de kans is dat het paard PPID heeft.
Gebaseerd op één onderzoek, varieerde de algehele nauwkeurigheid van ACTH concentraties in reactie op TRH na 30 minuten tussen 92% en 98% in de herfst en 90% en 94% buiten de herfst.
Het risico op een vals positief resultaat neemt dus toe in situaties waarin voorafgaand aan de test het risico al laag was. Dit zou kunnen betekenen dat de behandeling voor PPID wordt gestart zonder te controleren op een meer waarschijnlijke, alternatieve diagnose. Dit kan het welzijn van paarden in gevaar brengen door het starten van een levenslange therapie en/of het niet identificeren en behandelen van een andere, mogelijk ernstige aandoening. De auteurs merkten ook op dat er een significant effect is van het ras op de plasma ACTH-concentraties. En dan vooral in de herfst, met duidelijk hogere ACTH-concentraties bij sommige, maar niet alle, ‘sobere’ rassen. Concentraties kunnen ook worden beïnvloed door de locatie, voeding, vachtkleur, kritieke ziekte en vervoer in de trailer en pijn. Het is onwaarschijnlijk dat milde pijn een groot effect heeft op het basale ACTH, maar voorzichtigheid kan geboden zijn bij ernstigere pijn.
Het beoordelingsteam zei dat het bepalen van diagnostische drempels, die rekening houden met alle mogelijke factoren, niet praktisch is. Daarom wordt het gebruik van twijfelachtige waarden ondersteund. Paarden met PPID en hyperinsulinemie (verhoogde insulineniveaus in het bloed) lijken een hoger risico te lopen op hoefbevangenheid, maar ACTH is geen onafhankelijke voorspeller van het risico op hoefbevangenheid, volgens de onderzoekers.
Wat betreft de behandelingsmogelijkheden, zeiden de auteurs dat pergolide de meeste klinische symptomen, die geassocieerd worden met PPID bij de meerderheid van de getroffen dieren, verbetert. Het verlaagt de basale ACTH-concentraties en verbetert de ACTH-respons op TRH bij veel dieren. Maatregelen voor insulinedisregulatie zijn echter in de meeste gevallen niet veranderd. Er is geen bewijs dat pergolide nadelige cardiale effecten heeft bij paarden.
Het reviewteam zei dat er zeer zwak bewijs is dat suggereert dat het verhogen van de pergolidedosis tijdens de herfstmaanden gunstig kan zijn. "Er is weinig voordeel te behalen door langer dan een maand te wachten met het uitvoeren van herhalingstesten na de start van pergolidetherapie", zeiden ze. Het kan zelfs nuttig zijn om herhalingstesten eerder uit te voeren. De timing van de monstername in relatie tot de pergolide-dosering verstoort de meting van de ACTH-concentratie niet, gaven ze aan. "Er is geen bewijs dat het aanbrengen van veranderingen na interpretatie van ACTH-concentraties, gemeten op bepaalde tijden van het jaar, geassocieerd is met verbeterde uitkomsten." De auteurs zeiden dat het bewijs zeer beperkt is, maar dat de naleving van de PPID-behandeling slecht lijkt te zijn en dat het onduidelijk is of dit de klinische uitkomst beïnvloedt.
Dit artikel is een samenvatting. Het complete artikel is te lezen op Horsetalk.co.nz

