Helemaal mee eens! Veel overgangen en schijnovergangen rijden + schakelen in de verschillende gangen. En duidelijke afspraken maken! Daar bedoel ik mee BEEN = gelijk WEG en HO = ook gelijk HO. Als dit niet zo is moet je hier eerst beter in afstemmen. Pas dan kun je de overgangen met een actieve achterhand rijden. Als ze bij been wegsloft in draf, heeft je geen actieve achterhand en maak je der dus ook niet sterker daar. Eigenlijk bij elke overgang moet ze op het been meteen 'vertrekken'. Kortom vanuit een actieve stap ook daadwerkelijk GELIJK in een actieve arbeidsdraf zitten. Daar mogen dus geen langzamere drafpassen tussen zitten. Hetzelfde geldt voor de overgangen terug. Vanuit draf naar stap is niet nog een 6 langzame drafpassen om vervolgens in stap te sukkelen, maar 1,2,3 stap en dan in een actieve stap verder gaan (ook weer niet een gehaaste stap, want dan dramt ze door, is dit het geval: even doorpakken!). Als dit niet lukt is het een goede oefening om eens rigoreus vanuit draf naar halthouden te rijden zonder stap ertussen. Je mag dan best streng zijn. Op deze manier maak je der sterker zonder elke keer die moeilijke galop erbij te pakken. Je zult zien dat de galop door deze oefeningen steeds makkelijker wordt. Eén tip: blijf hier dan wel consequent in!