Bedankt voor het plaatje, Goldstar, dat is inderdaad verhelderend! Toch blijf ik wat vraagtekens hebben bij de automatische reacties op prikkeling van spieren. Een goede ruiter kan extreem gedoseerde hulpen geven doordat hij al zijn spieren afzonderlijk aan kan spannen, maar als je naar het plaatje kijkt is het gewoon onmogelijk om een hulp met de achterkant van je been/voet aan spier 3 (op de schouder) te geven zonder dat je met de knieen gaat klemmen of in de stoelzit terecht komt. Knieen aanklemmen betekent dat je de deltoidus die van de ruggengraat naar de onderkant van de schouder loopt afknelt (wat weer vermindering van schoudervrijheid tot gevolg heeft), en een stoelzit betekent dat de achterkant van het zadel in verhouding sterker belast wordt zodat de achterkant sterker op de nierregio/deltoidusaanhechting daar in zal werken. Daardoor krijg je juist het tegenovergestelde van een kattenrug, en blokkeer je die spier weer.
Ook bij de verbreking van het evenwicht bij het achterste 'aanspoorpunt' zet ik mijn vraagtekens. Het is gebruikelijk en wordt ook in het boek van Wyche gestimuleerd (en spiertechnisch onderbouwd) om voor het achterwaarts de benen een handbreedte naar achteren te leggen. Als je bij dit plaatje de lijn van dat punt van 'verbreking evenwicht' verticaal omhoog trekt, dan kom je precies bij het diepste punt van het zadel uit, recht onder de ruiter dus. Dat zou dus al de uitgangshouding van het been moeten zijn, anders kun je nooit schouder-heup-hak op een lijn hebben. Dit plaatje zou echter ook betekenen dat bij een groter, langer gebouwd paard de ruiter gedwongen wordt op grotere beenzwaaien te maken om de hulpen te geven dan op een kleiner, vierkant gebouwd paard waar de spiergroepen dichter opeen gepakt liggen.
Ik ben het volkomen met je eens dat hulpen alleen werken als ze met de juiste timing en intensiteit gegeven worden, maar de juiste plek met de natuurlijke reactie blijft me wat duister. Over de timing schrijf je dat je been geeft op het moment dat het achterbeen aan die kant opgetild wordt om naar voren te stappen, dat is gewoon logisch:
Citaat:
Het juiste moment (tijdstip,tijd), is wanneer de schuine buikspier invalt, dus concaaf of hol wordt, omdat op dat moment het achterbeen van de grond komt om naar voren te treden.
Daar ben ik het mee eens, maar niet met dat de schuine buikspier aan die zijde dan 'invalt'. Dat zou namelijk betekenen dat je aanspoort op het moment dat de paardenbuik van je ruiterbeen wegbeweegt. Op het moment dat het achterbeen aan die kant opgetild wordt en je de hulp moet geven, wordt de buik echter juist tegen jouw ruiterbeen aangeduwd, aangezien het achterbeen aan de andere kant net geland is in de verst naar voren grijpende stand, de schuine buikspier daar dus aangetrokken is en de hele buik met botten, spieren en organen dus naar de andere kant weg wordt gedrukt - tegen jouw been aan. De buikspier aan jouw kant is weliswaar uitgerekt in plaats van aangespannen, maar wordt wel door het paard actief tegen jouw been aangedrukt omdat deze kant van de rug nu naar opzij puilt en voelt dus bol. Naarmate het achterbeen in de beweging van die pas verder naar voren gebracht wordt, spant de spier zich sterker aan waardoor de buik van die kant weggeduwd wordt en de buik aan de kant van je been dus vlakker wordt en van je been 'wegvalt'. Dat zou juist het verkeerde moment van aansporen zijn, omdat je dan de hulpen geeft aan een al landend achterbeen. Als je je benen iets van het paard af zou laten hangen, zou je als hij rechtsachter net heeft neergezet en la net optilt dus voelen dat hij zijn linkerbuik tegen je linkerkuit duwt - het juiste moment om aan te sporen is dus als de buik naar je been toe komt, niet als de buik wegvalt.
Ik ben trouwens erg benieuwd naar waar je die tekening vandaan hebt? Ik heb namelijk het gevoel dat ik hem ken, maar ik weet niet meer uit welk boekje?